Het is 8:29 AM lokale tijd en ik heb net ontbeten in Tobago. Voor mij uitgestrekt ligt de Atlantische Oceaan. Naast mijn computer staat een tas (kop) thee. De zon is nog lief, de temperatuur gemoedelijk, de wind zacht. Normaal zou ik dit in mijn dagboek schrijven, maar omdat ik die in Suriname ben vergeten, lucht ik mijn hart maar even hier.
Het eiland Tobago is jaw-droppingly beautifull. Langs de hele kustlijn kronkelt een geasfalteerde weg tussen de bergen. Het trakteert me op prachtige vergezichten. Baai na baai met blauwgroen water, prachtig strand en een rij palmbomen schieten aan me voorbij. Precies zoals op de postkaartjes.
Ik had hier nood aan. Mijn manuscript is naar de uitgever, mijn onderzoek over de goudhandel ligt bij de drukker en ik heb nog maar weinig herinneringen aan het afgelopen jaar – behalve dan van werken. This is it. Vakantie.
Te weinig ga ik weg uit Suriname. De laatste keer was in december 2022, nu is september 2024. Dat is bijna twee jaar onafgebroken Suriname – veel te lang dus.
Te klein
Voor iemand die er niet is geboren, maar ook voor veel Surinamers met een hoge opleiding, is Suriname namelijk al snel te klein. Ik bots er tegen de grenzen van mezelf, en dat in zo’n groot land. Dat kan, omdat bijna negentig procent van Suriname ontoegankelijk is.
Op de overige tien procent moet ik zien te overleven, samen met de rest. Dat kan behoorlijk benauwd worden. Zeker in een land waar eerlijke kansen niet bestaan en je toch vooral de juiste mensen of achternaam moet kennen/hebben om vooruit te kunnen komen.
De keuzes in Suriname zijn bovendien beperkt. Waar ik kan gaan dansen, eten, drinken, chillen of gewoon een kind naar de speeltuin brengen. Suriname heeft van alles wat, maar van alles ook maar één. Ik moet dus steeds opnieuw naar dezelfde plekjes.
Iets origineels ondernemen vergt voorbereiding: de afstanden zijn gigantisch, het transport niet verzekerd en de tijd beperkt – en al helemaal wanneer je onregelmatige werktijden en een impulsieve partner hebt. En passant moet je ook nog eens een huishouden runnen.
Ik verval daarom al snel in de stereotypen; een ijsje gaan eten op Waka Pasi, een biertje drinken bij Wan Bon. Niet ongezellig, helemaal niet. Maar wel steeds hetzelfde – opnieuw en opnieuw.
Er tussenuit
Er even tussenuit. Mezelf eraan herinneren dat de wereld groter is dan mezelf. Dat moest ik dus. Mijn oog viel op Trinidad en Tobago, de twee-eilandenstaat met het hoogste opleidingspercentage in het Caribisch gebied. Het land van Nicki Minaj en schrijver en nobelprijswinnaar V.S. Naipaul.
De rijkdom van Trinidad en Tobago wordt toegeschreven aan de grote reserves en exploitatie van olie en aardgas. Het is hier dan ook niet goedkoop: het gemiddeld inkomen ligt hier omgerekend op zo’n 1.500 euro per maand.
De twee eilandensaat is ruim dertig keer kleiner dan Suriname, maar heeft wel drie keer zoveel inwoners. In Tobago wonen er 50.000 mensen, net iets meer dan in Nickerie. Dat leek me wel wat. Ik sleurde Quincy met me mee.
Toegankelijk
Gisteren bezochten we een waterval in Tobago, een eiland met tropische bossen en bergen. De val was mooi (zie coverfoto), maar ook lang niet zo indrukwekkend als bijvoorbeeld de Ireneval op de Brownsberg in Suriname. Met dat grote verschil: de waterval in Tobago lag op slechts vijf minuten wandelen van de weg.
Het pad was helemaal open en gemaaid. Zo toegankelijk. Op de ‘tweede verdieping’ was een ‘natural’ pool aangelegd waarin je kon zwemmen. Zo toegankelijk. De waterval was bovendien gratis te bezichtigen. Opnieuw: zo toegankelijk.
Als kers op de taart waren we er ook nog eens alleen toen we aankwamen. Het gevoel van exclusiviteit was er dus ook. Aan de overkant van de weg lag een parelwit strand met visserbootjes in de baai. Wat meer kun je je wensen?
Een grotere waterval, zoals die van de Brownsberg?
Verwend
Ik ben verwend in Suriname, dat is me na een halve week in Tobago wel duidelijk. Niet alleen de overdaad aan natuur – die net als in Tobago adembenemend is – maar ook het eten en de vriendelijke mensen.
Groeten lijken ze hier in Tobago niet te doen (of misschien zijn ze gewoon toeristenmoe), en het eten in de restaurants is voornamelijk toeristisch, en dus Europees. Al zijn er ook lekkere – en minder lekkere – taco’s.
Ik dacht dat ik dat Europees eten miste in Suriname, maar op dag drie van de vakantie ben ik maar zelf beginnen koken – veel goedkoper ook.
Ik mis Suriname niet. Het is goed om mezelf eraan te herinneren dat het ook anders kan. Dat Suriname niet de wereld is. In Tobago mogen ze dan lang niet zo praatgraag en vriendelijk zijn als in Suriname, er hangt hier ook geen dievenijzer voor het raam.
Luikjes blijven open staan en de poort van ons appartement (waar de eigenaar boven woont) heeft geen slot. De eigenaar van de auto die we hebben gehuurd, hebben we ook nog niet gezien. De auto werd geleverd voor de deur, de sleutel zat al in het contact toen we opstonden. Dat level van vertrouwen is nieuw voor mij, maar het bevalt.
Ontdekken
De beaches geven me een heerlijk, tropisch vakantiegevoel, met het nodige zand tussen de tenen, al snorkelend boven de koralen, met koude biertjes in de koelbox en sunsets boven de oceaan. Precies wat ik nodig had. Maar ook niet meer dan dat.
In Tobago zou ik niet kunnen wonen. Daarvoor is het hier dan weer te rustig – en werkelijk te klein.
In Suriname valt nog zoveel te ontdekken. Er valt nog bergen werk te verzetten. Ik voel me er nodig, door mijn vriend, nuttig, door mijn werk, en rustig, juist dankzij die negentig procent ontoegankelijk bos. Ik bots er weliswaar tegen de grenzen van mezelf en op de beperkte recreatiemogelijkheden, maar die overwinnen is zo’n groot geluk.
Op de foto: Parlatuvier Waterfall, Tobago