Gevaarlijke combinatie

Op reportage in het binnenland van Suriname word ik er steeds aan herinnerd hoe weinig ik weet. Gisteren was ik in Apoera, een inheems dorp in het westen van Suriname, en omdat ik maar 24 uur in het dorp was, heb ik driekwart van die tijd gebruikt om met mensen te praten. Bij de poli, op straat, in de boot, bij hun thuis.

Voor Apoera, en zijn omgeving, zijn er al sinds het ontstaan van Suriname zelf de grootste plannen. Er zou een trein en een haven, een raffinaderij en een weg, een stad en een kanaal, een stuwmeer, een dam en een vliegveld aangelegd worden. De inheemsen die er woonden, die zouden als vanzelf integreren of vluchten, was de gedachte van de beslissingmakers in het Paramaribo van de jaren zeventig.

Fast forward, mei 2026.

Van alle plannen is meer dan de helft niet gerealiseerd. De Inheemsen zijn er nog, maar de weg naar Nickerie niet – vandaar mijn artikel. Daar zijn verschillende redenen voor, maar eentje springt er altijd tussenuit. Het is niet ‘hip’ en het is niet actueel, en wordt daarom vaak overgeslagen in de nieuwsberichten, maar het is wel gebeurd: de binnenlandse oorlog.

De oorlog die in 1986 begon en in 1992 ophield, werd gevoerd tussen het Nationaal Leger uit ‘de stad’ en het Jungle Commando uit ‘het bos’. Ook inheemsen werden in de strijd getrokken. Er waren de Tukayana Amazonas, geen stam maar een guerrillagroep, en er waren de slachtoffers.

Los van de doden en gewonden, en nog los van wie er allemaal bij betrokken waren, maakt een oorlog die in Paramaribo al lang vergeten is, nog dagelijks slachtoffers in Apoera. Zijn inwoners leven nog met de gevolgen: van bruggen die ontmanteld en verkocht zijn, politiek die families verscheuren en politie en militairen die elkaar in het been schieten.

Apoera is het meest moderne, Inheemse dorp dat ik al heb mogen zien in Suriname. In de winkels vind je alles – van pasta tot fietswielen. De hoofdweg is geasfalteerd, kinderen rijden op e-bikes en brommers naar school, er zijn verschillende kerken, bedrijven en billboards. Er is 24-uur stroom, waterleiding, een markt en een haven. Er wordt steenslag verwerkt, brood gemaakt en hout geëxporteerd. Er is een politiepost, brandweerwagen, een mortuarium en commissariaat. Als ik niet beter wist, zou ik nooit vermoeden dat ik in een uithoek van het land loop, omringd door kilometers bos.

Maar voor al zijn moderniteit, blijft Apoera een dorp: klein en gesloten. Op de vraag waarom een groot houtbedrijf het dorp heeft verlaten en alle hebben en houwen voor het oerwoud heeft achtergelaten, komt geen concreet antwoord. ‘Iets over witwassen’, en ‘in de bak’. De standaardvragen van een journalist – wie, wat, waar, wanneer, hoe – worden ontweken. Mensen die aanvankelijk hun verhaal spuien over cocaine, corruptie en microfoonhouders (synoniem voor luie journalisten), krabbelen terug als ik naar hun naam vraag.

Ik was dubbel zolang onderweg naar Apoera dan dat ik er was, dus ik had niet verwacht dat mensen mij zouden vertrouwen. Maar het is nog erger. Ze vertrouwen elkaar niet eens. Ze hopen en ze wachten. Op de president, die doet wat ze zegt. Op de regen, die valt wanneer het moet, en op de weg, die komt wanneer het zal.

In de tussentijd is het ieder voor zich. Dat is wat oorlog met een mens doet. In de stad zijn we het vergeten, maar het binnenland onthoudt. Het maakt hen zoveel wijzer, alerter en wantrouwig – een gevaarlijke combinatie die we niet langer mogen negeren.

Op de foto: uitzicht op de landingsplaats van Apoera, vlak voor de haven aan de Corantijnrivier

Tour de force

Het werk van een hoofdredacteur is op zich niet moeilijk. Om het in een paar woorden samen te vatten: het is informatie doorspelen, agenda’s aanpassen en sheets invullen. Het is vooral heel veel achter de laptop zitten. Mijn dagen zijn gevuld met illustraties goedkeuren, artikelen becommentariëren, contactgegevens zoeken, ICT-bedrijven bellen, foto’s zoeken, deadlines bijstellen, opdrachten uitzetten, naar updates vragen, de opmaak bijsturen, displays bestellen, vergaderingen leiden, workshops organiseren, cijfers berekenen, notulen opschonen, planningen maken en zorgen dat iedereen zijn agenda erop is afgestemd. Het is appen, bellen, mailen: achter mensen aanzitten, afspraken herinneren, uitleggen en er vooral voor zorgen dat iedereen genoeg informatie heeft om hun werk te doen.

Ik mis mijn journalistieke pen: de verwondering op locatie, de adrenaline onderweg, de nieuwsgierigheid tijdens gesprekken of de opwinding waarmee ik achter de toetsen zit in een poging een verhaal vast te leggen dat iedereen begrijpt. Ik mis het schrijven, opnieuw schrijven, schrappen en herschrijven van een zin, het dansen met woorden en het voldaan gevoel wanneer de laatste zin als vanzelf op het scherm verschijnt. Ik mis de dagen waarop ik alleen verantwoordelijk was voor mijn eigen agenda, mijn eigen rekening. De dagen waarop er niet zoveel mensen op me rekenden, op mijn goedkeuring wachtten.

Wanneer Parbode in het weekend naar de drukker gaat, verwacht ik het volgende week wat rustiger te hebben. Maar dan moeten er stagiaires geëvalueerd worden, declaraties goedgekeurd, fondsaanvragen ingediend en verantwoord worden en kruiswoordraadselwinnaars beloond worden. Of de uitgever belt met de mededeling dat er geen geld meer is, zoals afgelopen dinsdag. De begroting, aka de planning, moet – opnieuw – aangepast worden.

In de vrije minuten van de dag probeer ik nog mijn eigen onderzoek te doen – mailtjes uitsturen, bronnen bellen, interviews voorbereiden, documenten scannen – maar daar komt steeds minder van terecht. Elke app die ik open zet me opnieuw aan het micromanagen; een freelancer die een telefoonnummer nodig heeft, een fotograaf die nog uitbetaald moet worden, een lezer op zoek naar een artikel, een medewerker die op zijn betaling wacht, een nieuwe stagiair die vraagt om een kennismakingsgesprek en een columnist die laat is met haar inzending omdat ze zichzelf heeft buitengesloten in haar appartement en de pot nog op het vuur stond (ik verzin het niet).

Hoewel ik mezelf – nog steeds – niet zie als een manager, gaat het werk van een hoofdredacteur me wel goed af. Er is dan ook weinig spannend aan mijn to-do lijst. Mails beantwoorden, belletjes plegen, apps versturen: ik kan dat. De uitdaging ligt in het verdedigen van de Parbode-visie en doelstellingen, het omgaan met verschillende type mensen, respect krijgen zonder ernaar te vragen, het balanceren van cijfers en er, al bij al, in de eerste plaats voor zorgen dat Parbode überhaupt blijft bestaan.

Dat betekent dat ik persconferenties aan me voorbij moet laten gaan, pitches parkeer, ideeën uitzet in plaats van uitwerk, bedank voor nieuwe opdrachten en mijn dagen vul met praten in plaats van schrijven. Ik delegeer en faciliteer, ik maak niet meer. Het vraagt een andere, minder egoïstische, manier van denken. Eentje die ik nog niet helemaal onder de knie heb.

We zijn zo verschrikkelijk onderbemand. Mijn collega, die in 2019 is aangenomen om de marketing te doen, is nu (ook) verantwoordelijk voor de administratie, acquisitie, sales en doet tegenwoordig ook (genoodzaakt) de distributie. Begin vorig jaar hebben we Raoul er halftijds bij gehaald om onze website te versterken. Inmiddels schrijft hij ook voor het magazine en is verantwoordelijk voor onze maandelijkse nieuwsbrief. Al bij al houden we het magazine in stand met twee-vrouwen-en-anderhalve-man – onze uitgever ook nog meegerekend.

Elke dag is een tour de force. Er staat veel op het spel. Onafhankelijke journalistiek, om maar iets te noemen. Als ik daarvoor mijn ego even opzij moet zetten, doe ik dat. Maar makkelijk is het zeker niet.

Op de foto: snapshot van de tafel tijdens een meeting met de boekenclub in Paramaribo

Werken in de tropen: Aflevering 2

In tegenstelling tot ons, lijkt de chauffeur geen last te hebben van de gaten in de weg. Met een snelheid van 120 km/u raast hij over de tweerijbaanweg, bestaande uit 240 km oneffen lappen asfalt. Wanneer zijn vrouw belt, neemt hij steevast op met de woorden ‘Hi heks’ en wanneer we zijn dochter videobellen staan we (bij toeval?) klem tussen een kudde magere koeien met lange horens. Net als uit die tekenfilms, maar dan echt. Luid toeterend en met een onverantwoordelijke snelheid scheuren we tussen de koeien door. Zijn telefoon hangt uit het raam en met een snerpende stem roept onze chauffeur zijn dochter toe: ‘Kijk, je moeder.’

Onze chauffeur is – denk ik – rond de 30 jaar, een kleine man met bolle buik en een hoge stem die niet bij zijn baard past. We zitten met zeven in een eenpersoonswagen gepropt. De kleine ruimte en vroege uren (we werden om 4 uur uit ons bed getild) maakt een mens krevelig. De sfeer in de auto is dan ook niet om over naar huis te schrijven. De oudere vrouw voorin snurkt als een man (tot groot jolijt van onze chauffeur), en haar man die helemaal achterin zit hoest van tijd tot tijd slijm op, een gedenkteken aan zijn met rook verstokte longen. Naast Quincy zit een brede man, die we aan de overkant van de rivier nog dankbaar zullen zijn – maar dat weten we dan nog niet. Achterin moppert een magere Guyanese man over de koude wind die door de open ramen giert. Van veel slaap is er geen sprake.

Na zes uur in de auto, drie stops en een stijve kont later komen we aan op de administratie, gelegen aan de Corantijnrivier. Deze rivier vormt de grens vormt tussen beide landen. De veer van Suriname en Guyana doet het al een maand niet. De officiële berichtgeving luidt dat de motoren het hebben begeven, en dat Suriname en Guyana ruzie maken om wie voor de reparatiekosten moet opdraaien.
Van onze chauffeur horen we dat er meer speelt: Suriname zou niet akkoord zijn met het verstrekken van ‘retourtickets’ aan Guyanese zijde. Omdat veel meer Guyanezen naar Suriname trekken dan Surinamers naar Guyana verliest Suriname daardoor aan inkomsten. Totdat hier een aanpassing in komt, zou zij weigeren de reparatiekosten van de motoren te betalen. Met als gevolg dat de back track – bestaande uit grote korjalen die illegaal overstekende passagiers van de ene zijde naar de andere van de Corantijnrivier vervoert – bij gebrek aan een alternatief gebombardeerd is tot de enige – en dus legale – route om over te steken.

De immigratiepost (en de oversteek voor de veer) ligt op 60 km afstand van de back track. De bedoeling is dat iedereen eerst naar de immigratiepost rijdt, en daarna terug naar de back track (die op de route ligt tussen Paramaribo en de immigratiepost). Maar aangekomen aan de immigratiepost om uit te stempelen blijken weinigen zich aan die regel te houden: er staan een handjevol mensen. Wanneer we een half uur later en twee koeienkuddes verder bij de back track aankomen, komen in vlagen groepen van tien tot twintig zich op de oever aansluiten. Hiervan kan ik gerust kan stellen dat de helft niet heeft gestempeld. Van politie of militairen – wat de pers in Paramaribo beweerde – is geen sprake. Controle evenmin.

Je bent de auto nog niet uit of sjouwers komen je op blote voeten schreeuwend tegemoet. Ze bieden je aan je tassen naar de boot te brengen en nog voor je van een antwoord kan voorzien hebben ze je tas al uit de kofferbak gesleurd.

Wanneer we boven op de dijk staan (bestaande uit een strook aarde met gras), komt net een boot aangevaren. De korjaal is bijna niet te zien door het hoopje mensen en baggage die ze met zich mee brengt. Het doet je onwilkeuring denken aan de vluchtelingen die Europa bereiken. Een ongemakkelijk gevoel welt in me op. ‘Als we dit maar overleven’, is mijn eerste gedachte. Maar omdat ik weet dat ik – als witte vrouw – mijn mond moet houden in zo’n situaties, ga ik rustig bij de tassen zitten wachten en smeer ik me plichtbewust in met zonnecrème. Quincy, die inmiddels een Guyanese vriend heeft ontmoet, zal het wel regelen. Daar vertrouw ik op, want hij is niet alleen de beste vriend, maar ook nog eens de beste fixer die ik ken.

Terwijl mensen uit de net aangekomen boot proberen te springen (waarbij je noodgedwongen in het water belandt) wordt de boot omsingeld door – jawel – diezelfde sjouwers. Voor een prijs dragen zij niet alleen je tassen, maar ook je lichaam droog naar het kleine strookje zand. Tussen de menigte aan de oever is het zoeken naar de mannen die de boot besturen, en dezelfde sjouwer (die je inmiddels al hebt betaald) om je tassen naar de juiste boot te brengen (waarvoor hij – natuurlijk – weer betaald wil worden). Maar dankzij de vriend van Quincy, die alles al lijkt te hebben afgesproken, kunnen we al snel mee met het eerste bootje dat vertrekt.

Terwijl we instappen wordt er hevig over en weer geschreeuwd. De – tot voor kort illegale – opererende bootsmannen (de mannen die de boot besturen) hebben het naar hun zin en zien in de grote vraag en monopolypositie een reden om hun prijzen (wanneer het ze schikt) omhoog te trekken. Zo was het eerst nog 40 (Amerikaanse!) dollar voor ons drie om over te steken, maar steeg de prijs toen de overige menigte door had dat hij de bootsman was en ook nog een plaatsje op de boot wou bemachtigen. Toen werd het plots 50 dollar.

Eenmaal aan boord, duurt het echter niet lang voor je aan de overkant bent. De boot is klein, snel en zit verbazingwekkend comfortabel. Zwemvesten zijn aanwezig, maar we worden niet verplicht ze aan te trekken. Voor ik tot duizend kan tellen zien we de eerste tekenen van leven voor de Guyanese kust, waar de aankomst als het even kan nog erbarmelijker is. Een smalle steiger bestaande uit twee planken van 20 cm breed brengt ons na enkele tientallen meters op vaste land. Onze tassen worden vluchtig gecontroleerd. Voor ons paspoort te laten stempelen moeten we eerst een stukje tijden. Dankzij Lloyd, de dikke man die naast Quincy in de auto zat bleek een chauffeur aan Guyanese zijde te zijn, zijn we verzekerd van een plaatsje in zijn bus (een bestelwagen die tot 14 mensen kan vervoeren). De check-in is tien minuten rijden van de aanmeer’steiger’. Het lijkt wel alsof ze de illegaliteit hiermee willen voeden, maar klagen kunnen we niet. De check-out/in aan Surinaamse zijde ligt 60 km verderop. Tenslotte: dit was een illegale route. Aan autoriteiten in de buurt heb je dan geen belangstelling.

In een klein schamel houten kot (met een vergeelde kalender achter het bureau en geen ventilatoren) vullen we gedwee het immigratieformulier in en wachten we buiten op ons gestempeld paspoort. De mannen achter het bureau zijn duidelijk niet opgewassen tegen een grote stroom immigranten. Een klein uur later vervolgen we onze reis, die verder nog bestaat uit een stop in een restaurant van familie van de buschauffeur, waar ik een koude hotdog eet omhuld in een slap broodje. Eenmaal aangekomen blijkt dat ons appartement boven een winkel ligt, maar wel eentje met een balkon waar een heerlijke tocht waait. Bezweet en vermoeid trekken we onze kleren uit en gaan onder de ijskoude douche staan.

Het werk kan beginnen.

P.S.: Guyana is het land waar inmiddels aan biljoenen aan olievondsten zijn gedaan. Volgend jaar zal het eerste oliegeld beginnen stromen (het duurt ongeveer vijf jaar om de olie in de grond te produceren tot olie in de auto). Daar ga ik een artikel over schrijven. Voor MO*(!)

Een koe voor ‘onze’ winkel.