Waarom Peru me blijft achtervolgen

Zoals jullie allemaal weten – of misschien niet – had ik niet de beste tijd in Peru (mei – juni 2016). Ik stak het destijds ook niet onder stoelen of banken: ik vond Peru vies en de mensen onoprecht. Ik werd links en rechts voor de gek gehouden en had er voor lange tijd geen vrienden. Achteraf bekeken heb ik er eigenlijk nooit vrienden gemaakt.

Ik voelde me eenzaam in mijn cultuur en verstoten in mijn taal. Ik telde de dagen af tot ik naar Nieuw-Zeeland zou vertrekken. En toch.

En toch.

Wanneer ik denk aan mijn wereldreis, is Peru het eerste land dat in me opkomt.
Wanneer ik droom over mijn avonturen, bekijk ik de foto’s van Peru.
Wanneer je me zou vragen welk van de landen ik opnieuw zou aandoen, is Peru mijn antwoord.

Peru was onverbiddelijk hard en meedogenloos. Ze deed me pijn in al haar schoonheid, maar nog meer in haar zelfbeeld. Zoveel te bieden, maar niets te geven. Toeristen nemen alles van haar af, ook haar waardigheid. We misbruiken haar diversiteit, maar haar inwoners zien ons graag komen.

Haar aloude gebruiken leggen de basis van de speeltuin voor volwassenen. Voor een foto en een like, het afvinken van een wishlist. Eén bezoek aan Peru streept elk verlanglijstje door. Het land heeft alles, van bergen sneeuw tot uitgestrekte woestijn, parelwitte stranden en hoge palmbomen tot de ongerepte jungle, prachtige kerken en historische steden.

Cusco verslond me in haar taal en kleine straten, haar drukke wegen met kleine auto’s en duizenden kinderen. De stad is zo hoog gelegen dat het – letterlijk – pijn doet aan je hoofd. Ik mis de lama die me het smalle voetpad versperde, de creativiteit die de straten bezaaide. De warme dagen en koude nachten. Het fruit zo zoet, de sterrenhemel zo fel, de bergen zo machtig.

Maar het (h)erkennen van Peru’s waardigheid, met elke steen van de Machu Pichu, blijft niet meer dan een attractie. Zo plat lopen we over haar geschiedenis, zonder om te kijken.

Zo sober en integer als haar voorouders leefden, zo bruut en meedogenloos lopen we over hun erfenis heen. Maar met dat inzicht stond ik niet van de zonsopgang te genieten, die ochtend op Machu Pichu.

Peru. Drie jaar geleden liep ik over je gronden en danste ik onder je sterren. Drie jaar geleden telde ik de dagen af en was ik op zoek naar jouw erkenning. Die heb ik overigens nooit gekregen. Omdat ik jou de mijne nooit heb gegeven.

Ik vraag me af of je daarom in mijn hoofd blijft hangen.

Een enkeltje naar België, alsjeblieft?

Vandaag heb ik zo een slechte dag. Zo een dag waarop ik denk: wanneer is de eerstvolgende vlucht naar Eruopa, en is er nog plaats voor mij? Een dag waarop ik de handdoek in de ring wil gooien, me opsluiten in mijn kamer en voor vijf dagen niet buiten wil komen. Zo een dag waarop ik denk: en nu laten jullie mijn hoofd gerust of ik schreeuw jullie allemaal. Zo een dag waarop ik mijn mama nodig hebt die me vastpakt en zegt: het komt wel allemaal goed.

Dus op zo een dag als vandaag, kan ik niet anders dan mijn toevlucht zoeken in het schrijven, want al de rest heeft geen gehoor, geeft weerwoord en/of begrijpt me niet.

Als buitenstaander, nieuwkomer, immigrant, als ‘andere’ is het altijd aan jou om je te verantwoorden. Het is aan jou om te veranderen, mee te doen, niet mee te doen, aan te passen, om te doen wat je wordt gezegd, het is aan jou om aan te voelen. Een van de grote gebreken die daarin bestaat is dat je als ‘beginnende’ buitenstaander geen waardig weerwoord hebt. Althans, geen waar naar geluisterd wordt. Want alles wat je als ‘andere’ zegt is niet waar, zal wel niet, weet de ander wel niet beter of kan ook weer anders.

Streng. Dat is mijn gevoel van de Surinaamse maatschappij op dit huidige moment. Meedogenloos, niet-empathisch, egoїstisch en al zeker niet rekening-houdend met ‘anderen’. Denk ik het beter te weten? Schattig, maar doe toch maar wat je gezegd wordt. Geef ik (ongevraagd) mijn mening? Het zal wel, wat weet jij daar nu van, doe maar normaal. Loopt er iets fout? Zal zij wel zijn, want ‘die’ weet niet hoe het werkt. En of ik mijn verantwoordelijkheden niet durf op te nemen? Daar lijkt het op ja, want ‘ze’ snapt het blijkbaar niet.

Als onwetende kan ik niet altijd volgen wat er rond me gebeurd.
En daar wordt misbruik van gemaakt.

Wat ik , nu ik na al die zinnen wat rustiger ben geworden, besef is dat dit niet de Surinaamse maatschappij is. Het is eender welke andere maatschappij waar je als nieuwkomer wordt beschouwd. Het is de wereld die zo werkt, al van begin af aan. Survival of the fittest. Je wordt uitgedaagd, als vrouw, als blanke, als donkere, als handicapte, als sociaal-zwakkere, als jongere, als arme, als minderheid of als minderwaardig-aanschouwde. Dat is niet alleen zo in Suriname. Maar in Suriname behoor ik wel tot de minderheid, dus ik ervaar het alleen hier. Verhuis ik volgend jaar naar Colombia, gebeurt daar hetzelfde.

Als immigrant, waar dan ook ter wereld, word je elke dag uitgedaagd door je omgeving, die genoeg energie van je eist – niet vraagt – om daar tegenin te gaan. Om de uitdagende blikken, uitspraken, smoejes en gebaren te weerstaan. Want iemand die je uitscheldt, houdt er geen rekening mee dat je deze ochtend nog financieel bent afgezet.

Als immigrant wordt er geen rekening gehouden met je onzekerheid

Als immigrant wordt er geen rekening gehouden met je onzekerheid, en wanneer je er wat van zegt wordt je lachend verwezen naar het feit dat ze voor anderen even streng zijn. Je weerwoord, als je al ruimte krijgt om dit te geven, wordt met opgetrokken wenkbrauwen gecatalogiseerd als ‘smoesje’. Maar wat ze erbij vergeten melden is dat ze niet weten hoeveel energie het vraagt om zoveel niet te weten. Het sloopt me op dagen als vandaag. Onwetendheid wordt afgestraft, elke keer opnieuw. En opgeven mag je dan ook weer niet, want dan stel je je aan. Dan maar schrijven, want de vlucht naar Europa vertrekt toch zonder mij.

Ik ben hier nog niet klaar.

Een open en eerlijke brief aan mijn stervende nonkel

Wat valt er nog te zeggen?Als het einde nabij is? Niet veel, maar ik ga niet wachten tot het te laat is;

Je bent niet mijn boezemvriend en ik zal je niet missen omdat we elke zaterdagavond op cafe een pint pakken. Ik zal je nooit meer zien, of je hand kunnen schudden op kerst, je een gelukkig nieuwjaar toewensen en aanhoren hoe je mij een gezond jaar toewenst. Ik zal niet meer binnenwandelen en in de zetel tussen je dochters ploffen, met het haardvuur dat voor ons brandt.

Hoe je uit de keuken komt lopen, met je blauwe short om je middel en witte hemd aan. Klaar voor een avond familie en gezelligheid. Je bent mijn symbool van kerst, op de hoek van de tafel zit je, met een fiere stem die het hoofdgerecht aankondigt. Alles was tot in de puntjes verzorgd. Het was chique, maar bleef huiselijk. Wat moet een mens meer op kerst?

En nu zit ik hier aan de andere kant van de wereld en misschien is mijn volgende kerst wel in de snikkende hitte. Zonder de chique huiselijke sfeer die alleen jij zo kan neerzetten. Maar vergeet niet, ik zal aan je denken. Je blijft mijn symbool van kerst.

Maar je bent veel meer dan kerst, je bent de stem die me aanmoedigde te reizen. Nog voor ik je vertelde van mijn plannen, raadde je me aan om de wereld te ontdekken. Ik was met mijn vader bij jou in de tuin, we aten een frisse salade in de zachte zon. Ik zou bijna afstuderen. Je sprak met glinsterende ogen over jouw ervaringen, en ik werd alleen maar warmer van de plannen. Nu heeft al het reizen me hier in Suriname gebracht, en ben ik zo ver weg van onze familie, die hier samen doorheen moet.

Maar je bent veel meer dan kerst en warme plannen. Enkele jaren geleden leegden we samen jouw zolder en kreeg ik zoveel waardevol fotomateriaal mee voor mijn eigen donkere kamer. Je bent een inspiratie in mijn fotografie, en het gerief dat ik van je kreeg zal altijd bij ons blijven. Er zal alleen maar meer beeld uitvloeien en beter foto’s gemaakt worden. Elk resultaat is er dankzij jou.

En je bent veel meer dan kerst, warme plannen en inspiratie, je bent een vader en een liefde, een broer en een vriend, mijn nonkel. En dat zal je altijd blijven. Ik wil er zijn voor jou maar ook voor je kinderen, die ik zo dierbaar in mijn hart heb gesloten. Ik wil er zijn voor jou en voor mijn vader, die ik wil ondersteunen en dragen in deze moeilijke tijden. Ik wil er zijn voor jou en onze familie. Want je bent een familieman, en dat zal je altijd blijven.

Hier in Suriname gaat jouw aanwezigheid in mijn hart niet verloren. Mijn schoonfamilie, Quincy en ik leven allemaal met je mee. In hoofd en hart, in onze tuin, je bent bij ons. Elke keer ik jouw bloem water geef, denk ik aan jou. Ik wens je heel veel sterkte tegen de pijn, en ik hoop met heel mijn hart dat je de schoonheid ziet in wat je nu rond jou verzamelt: familieliefde. Want liefde en familie, daar draait het tenslotte allemaal om.

Met alle reizigers die ik afgelopen jaar leerde kennen, nam ik geen afscheid. Afscheid is niet permanent. Afscheid is een is gemis, tot we elkaar weerzien. Dus ik neem nu ook stellig geen afscheid van jou, misschien omdat ik het niet wil, misschien omdat ik het niet kan, misschien omdat het niet is.

Ik hoop dat je me het niet kwalijk neemt dat ik dit op internet deel. Schrijven is mijn therapie, en ik deel zodat iedereen die het maar lezen wil, beseft hoe kostbaar familie is. Want liefde, is waar het allemaal om draait. En dankzij jou, heeft de wereld een stukje meer van dat.

Danku, voor alles. Veel sterkte, aan jou maar ook onze familie. Een kus voor de kinderen en een knuffel voor mijn vader. Maar vooral;

Heel veel liefde voor jou,

Tot ziens

Ga en je zal terugkomen

Ik voel me verloren. Verloren en niet begrepen. Al bijna 3 maanden ben ik terug in België, en het wordt lastiger met de dag. Enkele weken na mijn aankomst was ik onder de indruk van mezelf, hoe gemakkelijk ik het had om hier terug te zijn. Hoe leuk ik het vond om met mijn familie te tafelen en mijn vrienden terug te zien. Het is wel even zoeken geweest in die eerste weken, maar ik was best fier op mezelf. Ik was verschoten van hoe graag ik eigenlijk terug thuis was. In een kamer die voor mezelf is, onderweg met een maatschappij die ik ken, fietsen in een stad waar ik niet de toerist ben, hoe ik niet moet zoeken naar een manier om ergens te geraken. Ik voelde me mooi, sterk en gewild. Ik kreeg uitnodigingen van vrienden om iets te doen, ik dronk Belgisch bier op een café waar ik niet moet vragen waar de WC is. Ik ken de taal, weet hoe ik me moet gedragen en herken mensen in de straat. Iedereen was zo blij me terug te zien. Enthousiast kreeg ik de vragen naar mijn hoofd geslingerd. Ik wist niet altijd hoe ik moest reageren, maar ik genoot van de aandacht. Een gesprek ontstond zonder eerst te moeten vragen naar elkaars naam, en van waar de andere komt. Het ging allemaal zo natuurlijk en alles was weer nieuw voor me. De eerste keer terug op café, de eerste keer met de bus, de eerste keer naar Maarten, de eerste keer in euro’s betalen, de eerste keer in het donker fietsen, de eerste keer alles. Ik vond het zalig om terug thuis te zijn, tegen mijn eigen verwachtingen in.

Nu heb ik nog steeds mijn eigen kamer waar ik van geniet en mijn fiets waar ik helemaal gek op ben. Maar de uitnodigingen van vrienden zijn gedaald. De meesten hebben me één keer gezien en vinden het wel goed zo. Iedereen gaat verder met zijn eigen leven, met nieuw gemaakte vrienden of nieuwe uitdagingen op het werk. Mijn vrienden leven met een drukke agenda en geplande evenementen. Ik heb een lege agenda, omdat ik gek word van een volle. Ik kan toch maar op de dag zelf beslissen of ik diezelfde avond zin heb om nog iets te doen? Hoezo al een afspraak maken weken op voorhand, niet wetende of je daar op die afgesproken datum wel zin in zal hebben? Ik hou van de onafhankelijkheid en impulsiviteit die een lege agenda mogelijk maakt. Maar ik ben hierin heel alleen. Want impulsiviteit gaat moeilijk met een omgeving waarin iedereen alles dagen, soms zelfs weken, op voorhand plant. En ik word er onrustig van, van iedereen die plannen maakt, omdat er anders geen tijd is om elkaar te zien.

Ik voel me niet begrepen door mijn omgeving. Niet omdat ik slimmer ben, niet omdat ik meer heb gezien. Wel omdat ik anders heb gezien. Ik heb gevoeld en ervaren hoe het anders kan, en ben tot indrukken en conclusies gekomen die mijn denkwijze hebben veranderd. En hierin voel ik me alleen, niet omdat er niet naar me wordt geluisterd, maar omdat ik mezelf niet kan uitdrukken. Ik vind de woorden niet om te zeggen wat ik voel, omdat dingen in mij zijn veranderd waarvan ik ook niet weet hoe of waar het precies gebeurd is. En ik probeer, maar bots daarbij op heel veel verwondering. Verwondering die ik niet begrijp, want ik heb anders gezien. En dat maakt mijn omgeving niet dom en mij niet slim, of omgekeerd, maar het zorgt voor frustratie en verveling. Ik voel mijn vrienden zuchten, ik voel ze met hun ogen draaien als ik probeer iets te verwoorden wat te maken heeft met mijn veranderde opinie. Ik dwing mezelf voorzichtig te zijn in wat en hoe ik dingen zeg, en dat bij mijn eigen vrienden. Ik voel me eenzaam in mijn eigen stad.

Stil maar zeker komt bij mij die bevestiging. Ik voel me niet op mijn plaats in het land waar ik geboren ben. Ik ben niet akkoord met de manier waarop het hier in zijn werk gaat. Hoe tijd allesbepalend is, hoe individualistisch de maatschappij is, hoe weinig geduld er wordt uitgeoefend. Beloftes worden even snel gebroken als gemaakt, verwachtingen worden hoog gehouden terwijl er geen hoop was in de eerste plaats. En daarmee wil ik niet zeggen dat het verkeerd is, dat ik er zelf niet ingezogen word of dat een ander land perfect is. Het gaat hier niet om juist of fout. Ik bekritiseer niet de vrienden die hier een leven willen opbouwen, of die enthousiast zijn om een stap verder te gaan. Helemaal niet, ik ben gelukkig dat zij zich goed voelen, thuis voelen en leven willen opbouwen in de plaats waar ze geboren zijn. Meer nog, ik ben jaloers dat ik het zelf niet kan.

Maar ik voel me hier, in België, ongeduldig en gehaast, egoïstisch en verwend. Ik hou niet van de versie van mezelf die ik hier in de spiegel zie. Ik heb gevoeld hoe hoe het anders kan. Ik heb ervaren hoe anders ik kan zijn. Ik heb een deel van mezelf leren kennen als rustiger, gelukkiger, vrijer. Ik heb een leven leren kennen dat vol zit van uitdagingen, impulsiviteit en verrassingen. Ik heb geleerd om mijn gevoel te volgen, mijn eigen intuïtie te vertrouwen. Ik heb op reis zo goed in mijn vel gezeten dat ik me soms voelde barsten van geluk. Ik had meer voeling met mezelf op een plaats waar ik het niet ken, als hier in de stad waar ik geboren ben. Ik kom hier en ik weet het allemaal niet meer, ik weet niet naar welke gedachten te luisteren of welke gevoelens te volgen. Ik voel niet meer wanneer ik moe ben en wanneer ik energie over heb. Ik leef niet meer, ik word geleefd. Dit heeft betrekking tot mìj. Ik stel hiermee niet dat jullie allemaal gek zijn om in een land als België te willen leven. Want ik zie ook hoeveel moois België te bieden heeft, van sociale ziektekas tot het Gravenkasteel in Gent. Maar het voelt niet als de juiste plaats voor mìj.

Er is een onmiskenbaar verlangen in mij die de nieuwe versie van mezelf verder wil ontdekken. Een versie waarvan ik heb geproefd, maar nog niet ten volle heb leren kennen, omdat de tijd te kort was. Ik heb geproefd van een ander leven, een leven dat ik nog niet ken en een maatschappij die ik nog niet begrijp. Maar het is genoeg voor mij om ernaar terug te gaan. Simpelweg omdat het de eerste beslissing is sinds mijn terugkeer die 100 procent goed aanvoelt. Suriname: ik kom terug.

 

Me, myself & I

Mensen die me al langer kennen dan vandaag, weten dat ik een drukke agenda nodig heb om me goed te voelen. Zonder veel plannen in de week om uit te gaan, te gaan sporten of iets te gaan drinken voel ik me al snel onrustig en zielig. ‘Ik heb geen leven’, denk ik dan. Kun je je voorstellen dat ik me nu ook zo voel? Geen leven op wereldreis. Haha, nu ik het zo neerschrijf, zie ik er de humor wel van in.

Daar zitten jullie dan, in de kou, aan het studeren of andere verplichtingen van de dag aan het vervullen. Hier zit ik dan, in Peru met niets om handen en niemand om iets mee te delen. Zonet was ik buiten even een sigaretje aan het roken (sorry mams) en heb ik het licht gezien. Noem het een zoete inval als je wilt. Misschien draait deze reis niet om nieuwe vrienden maken, feesten tot in de vroege uurtjes en veel geld uitgeven aan alle soorten activiteiten. Maar misschien draait het vervolg van mijn reis in Peru wel om iets helemaal anders. Het gaat misschien om alleen zijn, alleen durven zijn en me goed voelen in het alleen zijn. En dat is een hele uitdaging, want daardoor voel ik me heel zielig en vaak verdrietig. Hoe kan het nu dat ik hier in Peru ben en elke avond vroeg in mijn bed kruip? Hoe kan het nu dat ik hier in Peru ben en mijn eerste weekend in het huis doorbreng?

Er zijn enkele antwoorden van toepassing. Ik heb (1) nog niemand leren kennen om mijn weekend mee te spenderen en (2) ik wil niets anders dan gewoon even tot rust komen en (3) het regent en stormt buiten. Maar het beste antwoord moet nog komen.

Dus ben ik op mezelf, alleen. Ik onderneem dit alleen. Ik weet nog steeds niet waarom ik aan dit avontuur ben begonnen – buiten dan het feit dat ik nog niet wou werken en niets meer bij wil studeren. Maar ik heb het wel gedaan, en er is geen weg terug. Niet dat ik terug naar België wil hoor, dat zit wel goed.

Ik ben alleen, en ik ben er niet goed in. Jana mailde me vandaag met een interessante zin: soms lijkt het wel of ons menselijk hoofd te klein is voor al onze gedachten en gevoelens. Daar heb je je antwoord. Daarom blijf ik het eerste weekend in Peru in huis. Neem me niet kwalijk, maar ik ben even op mezelf. Het voelt niet goed, maar er is niets wat ik op dit moment liever zou doen. Gewoon even in de pyjama blijven hangen de hele dag. Het doet pijn in mijn hart omdat ik het alleen moet doen, maar het is nu niet anders, en ik kan het maar beter gaan accepteren. Want of ik het nu wil of niet, ik ben alleen op reis.

In Suriname was dat besef er niet, oh nee. De momenten dat ik alleen was moest ik echt gaan opzoeken. Zoveel stagiaires, zoveel aandacht en zoveel contact. Ik was nooit alleen. Pas nu in Peru besef ik ten volle dat ik alleen ben. En het valt me zwaar, maar het is een uitdaging waar ik aan deelneem, of ik het nu wil of niet. Dus dan zeg je: komt goed. Niet omdat je er in gelooft dat het goed komt, maar omdat er gewoon niets anders te zeggen valt. Je moet iets zeggen om de hoop hoog te houden, toch?