Gevaarlijke combinatie
Ik was dubbel zolang onderweg naar Apoera dan dat ik er was, dus ik had niet verwacht dat mensen mij zouden vertrouwen. Maar het is nog erger. Ze vertrouwen elkaar niet eens.
Posts over mijn journalistieke carrière in Suriname
Ik was dubbel zolang onderweg naar Apoera dan dat ik er was, dus ik had niet verwacht dat mensen mij zouden vertrouwen. Maar het is nog erger. Ze vertrouwen elkaar niet eens.
Hoewel ik mezelf – nog steeds – niet zie als een manager, gaat het werk van een hoofdredacteur me wel goed af. Er is dan ook weinig spannend aan mijn to-do lijst. Mails beantwoorden, belletjes plegen, apps versturen: ik kan dat. De uitdaging ligt nu ergens anders.
Als ik mijn boek nu in mijn handen heb, denk ik niet aan de appels of de gordijnen die ik er mee gekocht heb.
‘Veel te jong’, antwoord ik als mensen opmerken dat ik, op 31 jarige leeftijd, wel erg jong ben om al hoofdredacteur te zijn. ‘Te lief’, zegt mijn andere collega ook wel eens. ‘Te gevoelig’, vind ik zelf. Onzeker, misschien ook. Maar ik moet het doen met wie ik ben.
Ik ben een journalist, geen manager. Met die overtuiging heb ik de vacature voor een nieuwe hoofdredacteur van Parbode Magazine maandenlang aan me voorbij laten gaan. Tot nu.
Ik hield me krampachtig vast aan mijn werk om te voorkomen dat ik er minder van ging houden. Het werd een self fulfilling prophecy.
Hoe sneller de samenwerking beklonken wordt, hoe groter mijn zorgen
Moge mijn woorden het leven in je aanwakkeren
Slechte journalistiek versterkt het wij-zij denken in de samenleving
Na mijn publicatie over de wantoestanden in de Surinaamse goudexport was ik plots zelf onderwerp van het nationaal nieuws.
In ‘een van de grootste klimaatevenementen’ ter wereld wilde ik proeven van de ‘gap’ tussen de ontwikkelde en ontwikkelingslanden: hoe uit die zich face to face? Welke gespreksonderwerpen gaan we (niet) uit de weg? Wat is de sfeer tijdens de discussies? Terug in Suriname, kom ik van een koude kermis thuis.
New York City is alles wat ze zeiden dat het zou zijn: duur, druk, snel en luid. De stad is op zowat alle vlakken het tegenovergestelde van Paramaribo. En juist omdat ik zoveel waarde hecht aan de kleinschaligheid, de rust, stilte en traagheid van Suriname, had ik niet verwacht dat ik New York City mooi zou vinden – laat staan leuk.
‘Er is een vrouwtje daar ergens bij Parbode die een soort hobby heeft om continue kletsverhalen te schrijven’, zei de minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur gisteren over mij op een persconferentie waar ik niet aanwezig was. Mijn hoofdredacteur bij Parbode wees me vandaag op de uitspraak.
Ik moet eigenlijk een boek schrijven, maar ik zit hier achter mijn computer te dralen. Deze ochtend heb ik in de tuin gewerkt, met het voornemen om daarna écht te gaan schrijven. Maar het lukt me maar niet. En dus zit ik hier, op mijn vertrouwde plekje van het internet.
Duizenden demonstranten gingen vandaag de straat op in Paramaribo om te protesteren tegen het beleid van de regering. Dat komt er – kort samengevat – op neer dat de overheid geen geld heeft, maar het weinige dat het wel heeft niet deelt met het volk. Terwijl subsidies worden afgeschaft, bedient de regeringstop zich van extra uitgaven. De rijken worden rijker, de armen armer.
Het gaat in de berichtgeving niet om wat je schrijft, maar om wat je niet schrijft.
In de aula van de hogeschool leerde ik dat journalisten een merk moeten zijn. Maar al wat dat ons bracht is een overaanbod aan columnisten. De journalistiek moet terug naar waar het begon.
Als journalist hoor ik ‘het’ te weten: de oorzaak van het gevolg, het antwoord op de lezersvraag, de reden waarom. Maar hoe meer ik lees, en hoe meer ik leer, hoe meer ik besef dat mensen die beweren het te weten, niet genoeg lezen – en nog minder leren.
Een mislukte samenwerking met The New York Times heeft geleerd dat niets voor zijn tijd komt, maar dat het soms ook tijd is om niets te doen, niets te zeggen – ofwel te zwijgen.
In Suriname heb ik geleerd om niet te werken voor mijn oude dag, maar om te werken voor vandaag.