Straten onder water in Bloempie © Zoë Deceuninck

Het is de schuld van de regen

Op moederdag heeft het hier goed geregend. De wolken spuugden een muur van waterdruppels op het asfalt, en de riolering kon het (weer eens) niet aan. Kreken barstten uit hun voegen, van de bruggen was alleen nog de railing te zien en wie zich door het water waande, deed dat tot aan zijn knieën. Bij veel mensen thuis kwam het water via de voordeur naar binnen, bij nog meer mensen stond hun perceel onder. De volgende dag, maandag, gingen openbare scholen niet open vanwege wateroverlast en de onhygiënische situaties die daarbij komen kijken.

Zo ook de school van Y, de tienjarige zoon van Quincy. Hij gaat naar de openbare school in Hanna’s Lust, en de mensen die Suriname een beetje kennen weten dat dat geen school is waar je je kind wil sturen. Hanna’s Lust is een kwaaimansbuurtie. Y gaat daar naar school, want dat is waar zijn moeder woont.

Na de stortvloed op zondag, moederdag, was zijn school de hele week gesloten. Een week later was het vakantie. Toen de school weer open ging, besloten de leerkrachten te staken. Dinsdagmiddag werd de staking opgeheven, maar woensdag had Y nog steeds geen school: zijn juf was niet komen opdagen. De volgende dag krijgt hij wel les, die vrijdag ook en warempel, de maandag daarop ook.

Y heeft geen schoolboek, maar een A5 blocnote met lijntjes waarin hij de lessen van het bord moet overschrijven. Hij komt thuis met fouten en onafgemaakte zinnen. Onderaan de pagina: in rode pen de handtekening van de juf. ‘Gezien’, staat erbij. Drie keer per jaar krijgt hij een rapport. Zijn punten zijn altijd uitstekend, zijn gedrag is onvoldoende.

Maandagavond begint het weer te regenen. Dinsdag: geen school. Woensdag: geen school. Terwijl de zon alweer volop schijnt en de rest van Paramaribo haar gewone leven oppakt, blijft het water liggen in Hanna’s Lust. Donderdag: geen school. Donderdagavond: nog meer regen. Vrijdag: geen school. Vandaag is zaterdag. Y is naar de bijles.

Ook het huis waar Y bijles krijgt ligt in Hanna’s Lust. Moederdag was op 10 mei. Maar vanaf de hoek van de straat tot aan het terras staat dit perceel nog steeds onder water. Vuil, vies, stilstaand, stinkend regenwater met al haar bacteriën en de poep en plas van ongedierte zoals ratten en awari’s die – helaas – geen zeldzaam fenomeen zijn hier.

In de afgelopen maand kan ik de dagen dat Y naar school is gegaan op 1 hand tellen. Hetzelfde geldt voor al zijn neefjes, nichtjes en buurtkinderen. Wat doen ze overdag? Ze hangen op straat. Spelen in het water. Zoeken droog asfalt. Voetballen. Vervelen zich, hangen in de winkel. Lachen. Dagen elkaar uit. Vechten, stelen.

Ouderlijk toezicht ontbreekt. Een dag niet gewerkt is een dag niet gegeten. De oppas wordt overgelaten aan de tante, oma of buurvrouw. Soms in overleg, vaak ook niet.

Nog steeds als je vandaag door Hanna’s Lust rijdt staan de straten onder water. Woensdag moest ik er weer door om Y te gaan halen. Het was al donker en het straatlicht reflecteerde in het water. Hier en daar waagde zich iemand erdoor: rok omhoog, voetje voor voetje, tas onder de arm. Om de hoek was een gokkantoor, de deuren stonden open. Binnen zag ik alleen maar mannen: korte broek, slipper. Ze hadden het water getrotseerd en speelden op geluk. Als je niets hebt kan je niets verliezen, is de redenering.

Na jaren van discussies en ruzies is de knoop doorgehakt. Net zoals de kinderen van parlementariërs en iedereen die het zich ook maar een beetje kan veroorloven, gaat Y volgend jaar naar een particuliere school. Daarvoor moest hij afgelopen donderdag een instaptoets maken. Blijken die goede punten van Hanna’s Lust plots niet veel waard te zijn. Ik vraag me af of de juf echt verbeterd, of alleen maar punten toekent. Mogelijks moet hij op de nieuwe school een jaar overdoen.

Y is gered. Hij heeft een vader die hem uit de buurt haalt. Gedaan met voetballen tussen de scherven, gedaan met hangen aan het worstenkraam tot half elf in de avond, gedaan met overslapen, ratten op het erf en juffen die schreeuwen, slaan en niet komen opdagen. Gedaan met goede punten, vechtpartijen en natte klaslokalen. Volgend jaar gaat Y elke dag naar school, regen of niet.

Voor de rest van de buurt verandert er niets. De kinderen blijven onzichtbaar: verstoken van onderwijs, ouderlijk toezicht en een overheid die om ze geeft. Het is de schuld van de regen, wordt gezegd. “Zoveel regen had niemand verwacht. Dit is toch wel erg uitzonderlijk”, hoor ik elk jaar opnieuw.

We zijn collectief verontwaardigd over de normvervaging in de samenleving, de criminaliteit onder de jeugd, het huishoudelijk geweld in de buurten. En ik denk; waarom? Kijk naar de kinderen in Hanna’s Lust. Ze hebben geen schijn van kans.

Kolokupai

Ik sta met tranen in mijn ogen aan de kassa. Op de toonbank: een taartprikker met de letter ‘1’, snoepzakjes en ronde tafelkleedjes in verschillende kleuren. De dame achter de kassa vult een ballon met helium. Op de ballon staan dansende dieren met hoedjes en ballonnen. Het is feest want Baby is vandaag 1 jaar. Onwerkelijk.

Ik knipper met mijn ogen om de tranen te bedwingen. Het lukt nog maar net. Ik moet om mezelf lachen, maar niet te hard. Ik ben gewoon zo ontzettend blij. Baby is vandaag 365 dagen bij ons. Het zijn tranen van geluk.

Het grootste deel van het afgelopen jaar bracht ik thuis door. Mama zijn, dat is toch vooral veel in de keuken staan. Elk vrij moment dat ik heb, breng ik door op de mat. De mat bestaat uit letters van het alfabet die in elkaar passen als een puzzel in verschillende kleuren. Op de mat liggen zijn speeltjes en twee kussens, op de plek waar eigenlijk de TV zou moeten staan. Baby is er weg van. Ik nog meer. Uren liggen we op de mat. Ik kijk hoe hij fronst, kirt, klaagt, speelt en beweegt. Ik bouw torens die hij weer breekt, lees voor uit boekjes die hij niet begrijpt of bespied hoe hij minutenlang conversaties houdt met zichzelf. Bij elk onverwacht geluid – een auto over de weg, een hond die blaft – kijkt hij aandacht op.

Ik marvel.

Soms vang ik een glimp op van de man die hij zal worden. Sterke dijen om mee te sporten, een verbeten trek om zijn mond als hij iets niet kan vinden en ronde, grote ogen die altijd net dat beetje kleiner worden als hij zich concentreert. Een blik die zowel kwetsbaarheid als kracht uitstraalt en een oneindige dosis nieuwsgierigheid. Aan zijn gebrabbel te horen wordt hij een groot verteller. Zijn beentjes zijn pezig en sterk. Zijn handjes snel en gretig. Onder lange zwarte wimpers blinken zijn donkere ogen van nieuwsgierigheid. Als hij lacht, glinsteren zijn ogen.

365 dagen oud en Baby rent, bouwt torens, zegt bal, pap en papa en speelt met een bal die twee keer zo groot is als zijn eigen hoofd. Hij houdt van lachen, maar kan even goed ondeugend zijn. Om in de kast te gaan, wacht hij geduldig zijn moment af. Hij werpt zich op de grond als iets niet mag. Hij schatert het uit als ‘mmammmaaaaaa’ achter hem aan komt. Het is nauwelijks te geloven dat hij nog maar een jaar op de wereld rondloopt.

365 dagen geleden lagen we in het ziekenhuis. Uitgeput, voldaan, weg van de wereld. Tante Asje, die in hetzelfde ziekenhuis werkt, kwam ons als eerste bezoeken. Ze nam Baby in haar armen en noemde hem ‘Kolokupai’; geluksvogel. Ik vroeg haar waarom. ‘Omdat hij zo’n lieve ouders heeft.’

365 dagen later is het mij wel duidelijk. De kolokupai, dat ben ik.

Op de foto: knuffeltjes en beertjes hebben zich opgemaakt voor het feest van Baby

Eindelijk, dertig!

Ik ben dertig jaar, eindelijk! Om de een of andere reden keek ik hier heel erg naar uit. Mijn twintiger jaren zijn voorbij. Wat ‘de schoonste tijd van mijn leven’ hoorde te zijn, was voor mij toch vooral een decennium van verwarring. Hoe meer ik mijn plaats opeiste in de ‘volwassen’ wereld, hoe moeilijker het werd. Terugblikkend op mijn twintigerjaren, vond ik het dan ook vooral vermoeiend.