Stekker eruit?

Ik zit hier moederziel alleen op de redactie van het enige magazine in Suriname en vraag me af waarom in hemelsnaam ik het nog allemaal doe. Afgelopen vrijdag kregen we bericht van de uitgever dat die de stekker eruit trekt. Ik had mezelf beloofd te genieten van mijn weekend, en dat is ook verrassend goed gelukt. Maar nu is het dus maandag, zit ik onverwacht alleen op de redactie en neemt mijn rechterhand – die me moet helpen een plan te bedenken – haar telefoon niet op. Dus zit ik alleen op de redactie van het enige magazine in Suriname en vraag ik me af waarom ik mijn laptop niet dicht sla, mijn tas inpak en mezelf ga bezatten op een maandagmorgen. Wat maakt het ook allemaal nog uit.

Parbode is een magazine dat nog nooit winst heeft gemaakt. De oprichter was rijk en geloofde in het blad, dus stopte elke maand het verlies toe uit eigen zak. Toen hij overleed had hij zijn zaken niet geregeld, waardoor er niets overbleef voor ons.

Uiteindelijk vond mijn voorganger zijn broer gek genoeg om de stichting over te nemen, inclusief het verlies. Samen met enkele vrienden houdt hij al zes jaar ons hoofd boven water. Maar nu heeft hij er dus genoeg van. In 2027 gaat de stekker eruit en komt er een limiet op zijn bijdrage. Het verschil moeten we maar zelf bij elkaar zien te rapen, was de boodschap. Dat betekent dat we – mijn rechterhand en ik – nog twee maand hebben om 20.000 euro te vinden, of het blad gaat eraan.

Zit ik hier alleen op de redactie. Ik pak onze laatste editie in mijn handen en blader door de artikelen. Mijn voorwoord is scherp, de inhoudsopgave prachtig en de artikelen zijn goed – steengoed. Het is journalistiek zoals die hoort te zijn: kritisch, nieuwsgierig, onbevreesd.

Voor dit nummer gingen we met de redactie naar het westen van Suriname. We spraken met de mensen, gewone mensen, over leven, hoop, verwachtingen en teleurstelling. We confronteerden, analyseerden en ondervonden met het doel de lezer te informeren. Niet alleen met wat die wil weten, maar vooral met wat die moet weten.

De afgelopen jaren heb ik mijn hart en ziel aan dit blad gewijd. Uren, dagen, maanden van mijn leven heb ik in dit blad gestopt. Ik trek en sleur aan de journalisten om er alles uit te halen wat er in zit, en nog een beetje meer. We organiseerden workshops, meetings en teamuitjes in de hoop dat niet alleen hun journalistieke vaardigheden vooruit gaan maar ook dat mijn persoonlijke agenda werd gerealiseerd: ik wil dat onze lezers net zoveel van dit blad gaan houden als ik.

En het gaat de goede kant op. Onze verkoopcijfers zijn sinds januari 2025 met 26,7 procent gestegen, in een land waar niemand leest en een wereld waar magazines dagelijks over de kop gaan. Is het dan nu onze beurt?

Ik weiger daarin te geloven. Allereerst uit egoïstische overwegingen: ik wil mijn baan niet kwijt. Maar net daaronder, op een bijna gedeelde eerste plaats, omdat ik geloof in het bestaansrecht van Parbode.

In een land waar de media wordt opgevreten door clickbait en live-reportages, waar het gesproken woord meer aandacht krijgt dan het geschreven woord, waar de meeste journalisten niet onafhankelijk kunnen of willen zijn (de goede niet te na gesproken) en waar men vreest om te zeggen waar het op staat, geloof ik in het bestaansrecht van Parbode. We waarschuwen, nemen duidelijke standpunten in en zijn vooruitziend, maar bovenal genuanceerd en relevant. Net zoals het leven zelf.

Suriname kan perfect zonder ons functioneren, denk ik. Velen zullen er zelfs blij om zijn. Maar wat moet worden van het land van mijn zoon, zonder een blad dat de macht niet alleen durft bevragen, maar ook bekritiseren? Die de macht controleert met feiten, de ontwikkelingen voorspelt met bewijzen en het heden analyseert voor de toekomst? Ik panikeer bij de gedachte.

Misschien ben ik gek, en moet ik accepteren dat magazines hun tijd hebben gehad. Dat er nog andere manieren zijn om bij te dragen aan de Surinaamse journalistiek, dat er deuren opengaan waar anderen sluiten. Maar wie gaat het me vertellen?

Ik hoor mijn collega de trap op lopen. Ze is vrolijk, haar zus is gisteren in Suriname aangekomen. Ik vertel haar over de blog die ik heb geschreven. What the fuck gaan we doen? vraag ik. Ik druk op de knop: Publish. We gaan aan de slag.

P.S.: alle tips zijn welkom.

Echte verandering

En dan heb ik plots een tiener in huis. Dat merk ik meteen aan de ijskast, de was, de portemonnee en de badkamer. Y, de tienjarige zoon van Quincy, is vorige week gestart in zijn nieuwe, particuliere school – na jaren van verwaarlozing op zijn oude, openbare school. Ik ben opgelucht.

De start van het openbaar onderwijs gaat weer gepaard met enorme chaos. De bond riep de ouders op om hun kinderen thuis te houden, nadat de minister hun verzoek had genegeerd om de eerste schooldag met twee dagen uit te stellen.

Nu de school dan toch echt begonnen is, blijken leerlingen, leerkrachten en klaslokalen niet op elkaar afgestemd. Op verschillende openbare scholen, waaronder de oude school van Y, zijn de klassen gesplitst en gaan kinderen om de ene dag naar school. Om 12 uur gaat de school alweer dicht vanwege de hete temperaturen.

Ondertussen zit Y in een klas met maar 11 leerlingen en heeft hij voor het eerst in zijn leven een lessenrooster. Hij gaat met een trui naar school (de airco draait) en krijgt binnenkort les op een digibord. Het zijn twee totaal verschillende werelden.

Ik ben opgelucht dat Y eindelijk de scholing krijgt die elk kind verdient. Maar ik schaam me ook voor mijn opluchting. Toen Y nog naar de openbare school ging kon ik erg boos worden over de situatie. Boosheid maakt me strijdbaar. Strijd zet me aan het schrijven. Wanneer ik de krantenkop nu lees word ik niet boos, maar moedeloos. Hoe is het toch mogelijk? denk ik. Vervolgens sla ik de krant om.

Het is niet dat Y naar de openbare school moet alleen maar zodat ik strijdbaar kan blijven. Maar het zegt wel veel over mijzelf. Ik moet voelen om te handelen. Als het me niet raakt, blijf ik aan de zijlijn staan. Commentaar leveren? Ja. Maar ook echt de handen uit de mouwen steken? Nee.

Ik lijk zowaar op een politicus. Wat confronterend allemaal.

Eerder schreef ik al over de zorgvuldige bubbel die ik voor mezelf heb opgebouwd. Ik denk dat veel migranten, wereldwijd, zich daarin kunnen terugvinden. Afgelopen week mailde ik nog met mijn tante, die Surinaamse buren heeft in Antwerpen. Ze komen niet overeen. Tante vindt dat ze steeds minder en minder aan integratie doen, en bij mooi weer op straat leven. Ik mailde terug dat ik ze begrijp, zonder ze ooit te hebben ontmoet.

Ik ben meer dan ooit verbonden met Suriname, schreef ik haar. Ik rol in het onderwijs- en gezondheidssysteem als ouder en voogd, hou een redactie draaiende als hoofdredacteur, spreek de informele taal, wordt vaak uitgenodigd in radioprogramma’s (tegenwoordig ook panelgesprekken) en heb een agenda vol verantwoordelijkheden.

En toch: terwijl ik meer integreer, kruip ik dieper in mijn schulp. We zijn verhuisd van een volkswijk naar een buitenwijk, van veel naar nauwelijks buren, van rumoer naar vogelzang. Het huis dat we hebben gebouwd is ingericht naar mijn (westerse) wensen. Het is ruim, modern en (bijna) afgewerkt. Ik heb mijn eigen bureau, grote badkamers en een op-maat-gemaakte keuken. Het enige wat ontbreekt is airco en een vaatwasmachine.

In dit nieuwe huis kan ik mij terugtrekken. Lezend in mijn zetel, een familiestuk van diezelfde tante, vergeet ik dat ik in Suriname ben. Het huishouden draai ik grotendeels alleen, en dus op mijn manier. Ook in mijn werk heb ik een leidinggevende functie, wat betekent dat ik dingen naar mijn hand kan zetten. In de opvoeding is er veel wrijving met Quincy, maar ook dat komt omdat ik westers ben, en dus andere ideeën heb. Soms draait dat goed uit, en soms ook helemaal niet.

In mijn bubbel, die bestaat uit mijn boeken, mijn kleding, mijn interieur, mijn bureau, mijn motivatie, mijn ideeën en overtuiging, is het comfortabel. Het is verleidelijk en gemakkelijk om me er in terug te trekken. Het vraagt geen extra energie.

Dat allemaal – hetzij iets korter – mailde ik naar mijn tante. Ik ben nog in afwachting van haar antwoord. Het punt dat ik alvast wil maken, is dat we allemaal op zoek zijn naar comfort. We blijven erin hangen als we het (denken te) hebben gevonden: zij het nu in ons thuisland of op straat. Maar comfort komt met een prijs.

Echte verandering, daar is frictie voor nodig. De bubbel moet af en toe eens barsten om boven jezelf te kunnen stijgen. Y ervaart dat nu aan eerste hand. Ik ben benieuwd wat hij ervan maakt.