Gisteren werd ik er weer eens aan herinnerd waarom Suriname een ontwikkelingsland is. Door mijn zorgvuldige ‘bubbel’ die ik de afgelopen jaren heb opgebouwd (mijn vertrouwde omgeving, winkels, plekjes, mensen en routes), word ik soms erg comfortabel en optimistisch. ‘Geweldig Suriname, ik doe hier lekker mijn ding en niemand valt me lastig met regels, controles of beperkingen.’
Het leven gaat zijn gangetje, tot ìk iemand moet lastigvallen. Zo ook gisteren. Ik plan een vakantie naar België en om Baby zijn paspoort aan te vragen moet ik wat documenten opsturen naar de ambassade in Jamaica – waar ik sta ingeschreven bij gebrek aan een Belgische ambassade in Suriname.
Dat sturen moet via DHL, stelt de ambassade. Dat kost 237 Amerikaanse dollar, ontdekte ik tot mijn grote schrik. Betalen in Surinaamse dollar is niet mogelijk, DHL wil de real deal. Ik heb geen stapeltje bankbiljetten liggen onder mijn matras, maar het idee werd wel erg verleidelijk om daarmee te beginnen naarmate ik de een na de andere bankautomaat langsreed op zoek naar eentje die wél werkte.
De meeste bankautomaten zijn weg, leeg of werken niet. In eentje kreeg ik mijn geld niet omdat ik zogenaamd mijn limiet overschreed (terwijl er twee keer zoveel op mijn rekening staat dan dat ik nodig heb). Er zijn een paar automaten, de zogenaamde Cashpoints, die wel geld hebben. Maar zij vragen een onredelijk hoge fee per keer dat je afhaalt. De fee werd twee weken geleden nog verhoogd. Niet toevallig: de limiet voor het bedrag dat je per transactie kan opvragen is laag, zodat je meerdere keren moet afhalen en dus meerdere keren moeten betalen. En dat voor een service waarvan de helft van de automaten ook nog niet werkt. Stelletje boeven.
Na ruim een uur rondrijden heb ik mijn geld (uit frustratie heb ik de boeven betaald). Vervolgens moest ik mijn Surinaamse dollars wisselen voor Amerikaanse dollars. Dat kan in een van de vele wisselkantoren die Suriname rijk is. Maar, je raadt het al: geen enkel kantoor had gisteren Amerikaanse dollars. “Mi no abi”, hoorde ik bij vier verschillende wisselkantoren. Ik stond er versteld van. Sinds wanneer?
Het was inmiddels half twaalf in de middag. Ik was sinds acht uur over straat om het varkentje te wassen. Super gefrustreerd zat ik achter het stuur. (Gevaarlijk, ik weet het.) Ik besloot de handdoek in de ring te gooien en nog een paar mailtjes te beantwoorden op kantoor, voor ik Baby alweer moest gaan halen bij de oppas. Vandaag gaat Quincy mijn geld wisselen. Hij kent iemand, die iemand kent, die wel dollars heeft.
Ik kan een boek schrijven met dit soort verhalen die ik de afgelopen jaren heb opgetekend. Van een overheidskantoor dat niet functioneert omdat de elektriciteit is uitgevallen, tot de bank die mijn geld niet aanneemt omdat er een scheurtje in zit, de burgerlijke stand die me persoonlijk de halve stad doet rondrijden omdat ze vergeten zijn twee puntjes op mijn ‘e’ te zetten in het systeem (‘bellen kan niet, want we hebben geen telefoon’) en – nogmaals – de burgerlijke stand wiens kantoor wekenlang gesloten is omdat de overheid de huur niet heeft betaald. Dat was in de periode dat Baby werd geboren: voor onze documenten moesten we naar Houttuin, drie kwartier rijden van de stad. Daar aangekomen konden we wel betalen voor de geboorteakte, maar niet afhalen. Dat moest dan weer in het hoofdkantoor in de stad – drie kwartier terug.
De inefficiëntie kent geen grenzen. Iedereen die in Suriname woont is er uren, dagen aan kwijt. Zij het nu voor een verloren rijbewijs, een bankrekening of vergunning: je staat minstens een halve dag in de rij, en dan moet je nog geluk hebben dat de ambtenaaer – tegen de tijd dat het aan jou is – zin heeft om je te helpen. Anders begint hetzelfde riedeltje de volgende dag opnieuw. Ik vraag me nooit meer af waarom er altijd zoveel mensen over straat zijn midden op de dag.
Na tien jaar in Suriname zou ik denken dat ik er inmiddels gewend aan ben geraakt. Dat ben ik niet. Mijn avontuur begon met een verblijfsvergunning die ik niet kon aanvragen zonder werkvergunning en een werkvergunning die ik niet kreeg zonder verblijfsvergunning. Tijdens mijn laatste poging heb ik aan het ministerie, via de officiële weg, 100 Amerikaanse dollar overgemaakt zonder dat ik ooit een werkvergunning heb gezien. Het went niet.
Veilig in mijn bubbel vergeet ik soms in welk land ik woon. Thuis zet ik de zaken zoveel mogelijk naar mijn – westerse – hand: structuur, afspraken, tijd, verantwoordelijkheden. Op het werk trek ik die lijn door als leidinggevende. Natuurlijk lukt dat niet altijd, en word ik er vaak genoeg aan herinnerd dat ik in een andere cultuur leef. Mijn vriend is Surinaams, mijn collega’s zijn dat ook. Ik ben niet voor dit land gemaakt, maar over het algemeen ben ik comfortabel. Tot ik dus weer iets nodig heb van ‘het systeem’.
Waar ik dan enorm veel bewondering voor heb, en stiekem ook jaloers op ben, is het geduld van mijn medemens. Alle Surinamers hebben te kampen met bankautomaten die geen geld geven en rekeningen, medicijnen, aktes, vergunningen, rijbewijzen en verklaringen die niet of nauwelijks te verkrijgen zijn. Ze klagen, begrijp me niet verkeerd, maar ze blijven kalm. Ze beschouwen een dag niet als verloren als ze hun zaken niet hebben geregeld. Ze gaan er om lachen en iets leuks doen.
Ik vind er absoluut niets grappig aan, maar ik ben ook iets leuks gaan doen. Morgen is er weer een dag.
Op de foto: straatbeeld Paramaribo bij ondergaande zon