Tour de force

Het werk van een hoofdredacteur is op zich niet moeilijk. Om het in een paar woorden samen te vatten: het is informatie doorspelen, agenda’s aanpassen en sheets invullen. Het is vooral heel veel achter de laptop zitten. Mijn dagen zijn gevuld met illustraties goedkeuren, artikelen becommentariëren, contactgegevens zoeken, ICT-bedrijven bellen, foto’s zoeken, deadlines bijstellen, opdrachten uitzetten, naar updates vragen, de opmaak bijsturen, displays bestellen, vergaderingen leiden, workshops organiseren, cijfers berekenen, notulen opschonen, planningen maken en zorgen dat iedereen zijn agenda erop is afgestemd. Het is appen, bellen, mailen: achter mensen aanzitten, afspraken herinneren, uitleggen en er vooral voor zorgen dat iedereen genoeg informatie heeft om hun werk te doen.

Ik mis mijn journalistieke pen: de verwondering op locatie, de adrenaline onderweg, de nieuwsgierigheid tijdens gesprekken of de opwinding waarmee ik achter de toetsen zit in een poging een verhaal vast te leggen dat iedereen begrijpt. Ik mis het schrijven, opnieuw schrijven, schrappen en herschrijven van een zin, het dansen met woorden en het voldaan gevoel wanneer de laatste zin als vanzelf op het scherm verschijnt. Ik mis de dagen waarop ik alleen verantwoordelijk was voor mijn eigen agenda, mijn eigen rekening. De dagen waarop er niet zoveel mensen op me rekenden, op mijn goedkeuring wachtten.

Wanneer Parbode in het weekend naar de drukker gaat, verwacht ik het volgende week wat rustiger te hebben. Maar dan moeten er stagiaires geëvalueerd worden, declaraties goedgekeurd, fondsaanvragen ingediend en verantwoord worden en kruiswoordraadselwinnaars beloond worden. Of de uitgever belt met de mededeling dat er geen geld meer is, zoals afgelopen dinsdag. De begroting, aka de planning, moet – opnieuw – aangepast worden.

In de vrije minuten van de dag probeer ik nog mijn eigen onderzoek te doen – mailtjes uitsturen, bronnen bellen, interviews voorbereiden, documenten scannen – maar daar komt steeds minder van terecht. Elke app die ik open zet me opnieuw aan het micromanagen; een freelancer die een telefoonnummer nodig heeft, een fotograaf die nog uitbetaald moet worden, een lezer op zoek naar een artikel, een medewerker die op zijn betaling wacht, een nieuwe stagiair die vraagt om een kennismakingsgesprek en een columnist die laat is met haar inzending omdat ze zichzelf heeft buitengesloten in haar appartement en de pot nog op het vuur stond (ik verzin het niet).

Hoewel ik mezelf – nog steeds – niet zie als een manager, gaat het werk van een hoofdredacteur me wel goed af. Er is dan ook weinig spannend aan mijn to-do lijst. Mails beantwoorden, belletjes plegen, apps versturen: ik kan dat. De uitdaging ligt in het verdedigen van de Parbode-visie en doelstellingen, het omgaan met verschillende type mensen, respect krijgen zonder ernaar te vragen, het balanceren van cijfers en er, al bij al, in de eerste plaats voor zorgen dat Parbode überhaupt blijft bestaan.

Dat betekent dat ik persconferenties aan me voorbij moet laten gaan, pitches parkeer, ideeën uitzet in plaats van uitwerk, bedank voor nieuwe opdrachten en mijn dagen vul met praten in plaats van schrijven. Ik delegeer en faciliteer, ik maak niet meer. Het vraagt een andere, minder egoïstische, manier van denken. Eentje die ik nog niet helemaal onder de knie heb.

We zijn zo verschrikkelijk onderbemand. Mijn collega, die in 2019 is aangenomen om de marketing te doen, is nu (ook) verantwoordelijk voor de administratie, acquisitie, sales en doet tegenwoordig ook (genoodzaakt) de distributie. Begin vorig jaar hebben we Raoul er halftijds bij gehaald om onze website te versterken. Inmiddels schrijft hij ook voor het magazine en is verantwoordelijk voor onze maandelijkse nieuwsbrief. Al bij al houden we het magazine in stand met twee-vrouwen-en-anderhalve-man – onze uitgever ook nog meegerekend.

Elke dag is een tour de force. Er staat veel op het spel. Onafhankelijke journalistiek, om maar iets te noemen. Als ik daarvoor mijn ego even opzij moet zetten, doe ik dat. Maar makkelijk is het zeker niet.

Op de foto: snapshot van de tafel tijdens een meeting met de boekenclub in Paramaribo

Eindelijk, dertig!

Ik ben dertig jaar, eindelijk! Om de een of andere reden keek ik hier heel erg naar uit. Mijn twintiger jaren zijn voorbij. Wat ‘de schoonste tijd van mijn leven’ hoorde te zijn, was voor mij toch vooral een decennium van verwarring. Hoe meer ik mijn plaats opeiste in de ‘volwassen’ wereld, hoe moeilijker het werd. Terugblikkend op mijn twintigerjaren, vond ik het dan ook vooral vermoeiend.