Niet alleen zorgt het bezoek van mijn broer Bert en vriend Marcel voor meer leven in huis, ze leren mij ook heel wat bij over een land dat ik dacht te kennen.
Over het algemeen stel ik me in de straten van Suriname iets anders op dan ik in werkelijkheid zou willen. Thuis kan ik wel lekker mezelf zijn, maar op straat wil dat nog niet helemaal lukken. Dat is ongewild, maar gaat bijna als vanzelf. De hele dag ben ik me bewust van mijn huidskleur, die opvalt. Omdat die zo afsteekt stel ik me in het algemeen wat rustiger op, bedachtzamer, verlegen en op de achtergrond. Ik wil de aandacht niet nog meer naar me toetrekken dan mijn witte kleur al voor me doet.

Vooroordelen
Bert en Marcel stellen zich allesbehalve zo op, en zijn daarbij helemaal niet bezig met hun kleur. Het is misschien ook een beetje door de zenuwen, maar over het algemeen komen ze heel joviaal en sociaal over. Soms een beetje te, naar mijn bescheiden normen.
Door hun open gedrag, het feit dat ze iedereen uitbundig groeten en hun blik niet op de grond gericht houden, leer ik dat het ook anders kan. Dat mijn witte huidskleur maar zo wit is als dat ik hem zelf maak. Bang dat ik overkom als ‘die Hollandse witte dame die het allemaal beter weet’ en waarvan haar voorouders de Surinamers onderdrukten, ben ik vaak achterdochtig, verlegen en vermijd ik veel contact op straat.
Mijn witte huidskleur is zo wit als dat ik hem zelf maak
Maar het verschil tussen de jovialiteit van de jongens en mijn eigen terughoudendheid, ligt ook aan het verschil tussen onze seksen. De twee jongens worden gegroet op straat, ik word versierd. Zij worden aangekeken, ik nagekeken. Zij ontvangen minder getoeter en geen gefluit, geen kusjes en geen openingszinnen. Ik zou voor minder verlegen worden.

Het kan anders
Maar, een les die ik trek uit hun aanwezigheid, is dat het ook anders kan. Dat ik me niet verlegen moet voelen omdat mijn huid al de aandacht trekt, want ik ben meer dan mijn huidskleur. Door daar nu zoveel rekening mee te houden, doe ik net datgene waarvoor ik anderen afkeur: onderscheid maken. Het maakt integreren alleen maar moeilijker voor mezelf, en al zeker in mijn functie als journalist.
Tot zover heb ik mijn witte huidskleur als nadelig beschouwd. Het was een bewijs van mijn ‘anders’ zijn. Ik was ervan overtuigd dat het me tegenhield in mijn integratie, omdat ik nooit van Suriname zou zijn.
Bestolen
Door het gedrag – en het gemak – van mijn bezoekers besef ik dat het zo niet hoeft. Wit zijn kan ook in het voordeel spelen, net zoals het in het nadeel kan zijn. Zo werd gisteren mijn fototoestel gestolen. Bert en Marcel zaten op de fiets en werden klemgereden, waarna de fietstas door een bromfietser werd weggeritst. Mijn fototoestel zat erin. Wat de jongens gisteren hebben geleerd, is iets wat ik al vroeger heb ‘mogen’ ondervinden.
Bert en Marcel zaten op de fiets en werden klemgereden
Je bent wit en ruikt dus naar geld. Mensen met slechte bedoelingen – en ze bestaan overal ter wereld – hebben je al lang zien aankomen voor jij nog maar in de buurt komt. Je wordt in de gaten gehouden, want wit zijn betekent euro’s, en die laatste staat nu eenmaal hoog aangeschreven. Criminaliteit is geen fabel in een derdewereldland als Suriname, de nodige voorzichtigheid is dus verreist. Als blanke toerist die de spelregels van de straat niet kent, des te meer. Wanneer je vergeet dat je wit bent, ben je ook kwetsbaar. Maar te focussen op de nadelen maakt het er niet gemakkelijker op.
Rotte appels
Het vinden van een goede balans tussen de nadelen en voordelen van je huidskleur is niet gemakkelijk. Bij een tegenslag is daarbij ook belangrijk om niet over te slaan op veralgemeningen, angst of het kweken van een wrok. Ik hoop van harte dat Marcel en Bert de diefstal een plaats kunnen geven. Want ondanks de slechte en de goede mensen, zijn we uiteindelijk toch allemaal gelijk. In elk land zitten rotte appels, net zoals de prachtige, lieve, vriendelijke en leuke mensen. Kijk maar naar Quincy en zijn familie, onder andere.

Ten eerste zijn de twee heren nog nooit buiten Europa geweest, iedereen die dat wel al is geweest, weet hoe hard dit kan aankomen. Daarnaast verblijven de twee jongens in ons huis, wat niet bepaald een grote villa is. Ten derde begint deze week mijn eerste werkweek, dus mijn concentratie en focus is elders verreist. Ook lijk ik best wel op mijn moeder: ik wil een goede gastvrouw zijn, niet teleur stellen. Ten slotte bevind ik mezelf met drie mannen onder 1 dak.












Ik heb het geluk bij de selectie mensen te zitten die weten wat ze willen doen nog voor ze een keuze kregen. Ik wil mijn geld verdienen met mijn pen. Niet omdat ik er rijk van ga worden, wel omdat ik in alle dagen die mogen komen, niets anders wil doen dan het geschreven woord liefhebben.









Familie en vrienden zijn en blijven de voornaamste redenen waarom ik België al eens durf te missen. Maar het is ook de reden waarom ik Suriname zal missen. Naast het feit dat ik Suriname zal missen omdat ik ontspannen en blootsvoets de auto rij, overal met teenslippers ga, dat ik bepaalde dingen van dit land weet die ik niet eens in België weet – bv welke boter het lekkerste is op de boterham en welke de lekkerste in de pan.
Geen buurtbus waar ik ondertussen iedereen ken – en weet wonen. Geen gekke buschauffeur die je leven waagt op de al even chaotische wegen. Geen verkeer waar niet de verkeersborden, maar de wet van de sterkste dicteert. Geen vrolijke felgekleurde daken en geen enkel huis is hetzelfde. Geen dichtbebouwde wegen en verbondenheid op straat wegens tekort aan fiets- en wandelpaden. Geen fysiek verstikkend gevoel in het altijd open ademende Suriname. Geen (dode) slangen die me verassen op weg naar de bus. Geen felblauwe, open hemel meer en geen zon die het leven opfleurt op de dagen waarop ik het allemaal even niet voel. Suriname kent meer creativiteit omdat er minder voor handen is.
Maar naast dat wat Suriname mooi en verleidelijk maakt, is het land niets zonder de mensen erin. Ok, toegegeven, ik heb geen tien vrienden in Suriname, maar ik heb er wel een grote, mooie familie bij gekregen. Ik kan me nog goed herinneren dat ik vroeger altijd klaagde bij mijn moeder. Waarom had ik twee broers gekregen? Ik wilde ook een zus, het liefst van al een tweelingszus. Niets aan te veranderen, zei de moeder, je hebt twee broers en daarmee moet je het doen. Nu ben ik heel dankbaar voor deze – ondertussen – mannen in mijn leven. En ik heb geen reden tot klagen meer. Want nu heb ik er zomaar even vier mooie schoonzussen, een schoonnichtje (zeg je dat zo?), een schoonbroer en twee lieve schoonouders bij. Zij zijn me dierbaar geworden.





