Een droomboom gemaakt door kinderen met een beperking zette me aan het denken. Nu mijn kinderlijke fantasie heeft plaatsgemaakt voor realisme, waar droom ik nog van?
Dit weekend was ik als vrijwilliger aan het sporten met kinderen met een (motorische) beperking. Niet gemakkelijk, want sommigen konden niet zelf achter de bal aan lopen. Maar niet de fysieke uitdaging kreeg me stil, het waren de dromen die de kinderen – in zover mogelijk – en hun ouders zelf hadden opgeschreven.
Droomboom
Van ‘model worden’ en ‘nog meer mooie dagen zoals deze’ tot ‘dat mijn kind een onbeperkt leven kan leiden’. De dromen zette me stuk voor stuk aan het denken.
Ik ging op een andere manier naar mijn tien werkende vingers en twee functionerende benen kijken. Met een opgelucht, maar vooral dankbaar, gevoel. Ik kan doen wat ik denk, dat is eigenlijk niet zo vanzelfsprekend.
Twee dromen trokken extra mijn aandacht: ‘journalist worden’ en ‘ooit een wereldreis te maken’.
Na het lezen van deze twee voelde ik me in de eerste plaats meteen geslaagd. Ik heb bereikt waar anderen alleen van dromen. Niet omdat ze een beperking hebben, wel omdat ze mens zijn en dus, net zoals alle andere, dromen hebben.
Wat is mijn droom?
Aan antwoorden geen tekort, alleen leek ik niet in staat er maar ééntje uit te kiezen. Uiteindelijk was de dag om en staat mijn droom nog steeds niet op papier.
Wensen kan ik als de beste. Dat doe ik als ik een wimper vind, een kaars uit blaas of naar vuurwerk kijk. Dan wens ik een goede gezondheid, nog veel gelach met Quincy, dat er nooit meer files zijn, ik mijn artikel gepubliceerd krijg of dat ik morgen even gelukkig mag zijn als vandaag.
Maar een wens is geen droom.
Een droom vraagt om iets groots, een (algemeen) belang, een levenswerk.
Ik droom van gelijke kansen voor iedereen, een bewust leven, dat ik vijftig dingen tegelijk kan, kan tijdreizen, een goed mens word, nooit meer vroeg hoef op te staan of een perfect gebit dat niet gepoetst moet worden. Ik droom van een wereld zonder moorden, zonder haat en oorlog. Zonder armoede, ziektes, vrees, racisme, honger en (financiële) zorgen.
Eén droom
Een vrije wereld, waar iedereen durft zeggen wat hij denkt zonder negatieve gevolgen. Waar ik op twee plaatsen tegelijk kan zijn en kinderen graag naar school (kunnen) gaan. Ik droom van een wereld zonder grenzen, van onweerlegbaar vertrouwen in elkaar.
Maar de vraag was om één droom op te schrijven. Welke zou ik kiezen? Meer nog; welke heb ik eigenlijk in de hand?
Ik kan mijn best doen gezond te leven, maar wanneer mijn oom stierf aan kanker was het niet omdat ik die ochtend een zak chips in plaats van een appel had gegeten. Ik kan eten kopen voor de zwerver op de hoek, maar wat met die honderden, duizenden, miljoenen, miljarden andere hongerige, waaronder ook kinderen?
Mijn droom is…
Ik droom van een leven als kwaliteitsvolle onderzoeksjournalist. Eentje die moorden, haat, oorlog, armoede, ziektes, hoop, vrees, racisme, liefde, honger en zorgen in vraag stelt. Een schrijfster die strijdt voor het vrije woord, de vrije wereld. Die schrijft zonder haar vertrouwen te verliezen, in haarzelf en de medemens. Eentje die met haar werk vragen doet rijzen.
Opdat we allemaal een bewust leven kunnen leiden, in verdriet én geluk.
Fotocredits (+omslagfoto): © Ruby Chin A Fat











‘Wanneer ik weer eens onterecht wordt uitgescholden dat ik terug moet keren naar Afrika, ga ik na de eerste momenten van verbazing en verontwaardiging eerst goed vloeken. In mijn gedachten rollen alle Surinaamse scheldwoorden eruit. Mijn moeder zou zich doodschamen als ik die ooit luidop sprak’, lacht Zarissa. Maar eenmaal afgekoeld, overweegt ze of het de moeite waard is om erop in te gaan, wat het meestal niet is. ‘Ik heb geleerd dat ik me niet over alles kwaad moet maken of in discussie gaan. Daden spreken nog altijd luider dan woorden’, aldus Zarissa, die het voorbeeld van de interimkantoren aanhaalt. ‘Als donkere vrouw krijg je enkel de vacatures voor huishoudhulp voorgeschoteld, alsof je geen andere kwaliteiten bezit’, getuigt ze. ‘Vrouwen worden wereldwijd als minderwaardig bestempeld, moet je nagaan hoeveel zwaarder een donkere vrouw het heeft.’





Ten eerste zijn de twee heren nog nooit buiten Europa geweest, iedereen die dat wel al is geweest, weet hoe hard dit kan aankomen. Daarnaast verblijven de twee jongens in ons huis, wat niet bepaald een grote villa is. Ten derde begint deze week mijn eerste werkweek, dus mijn concentratie en focus is elders verreist. Ook lijk ik best wel op mijn moeder: ik wil een goede gastvrouw zijn, niet teleur stellen. Ten slotte bevind ik mezelf met drie mannen onder 1 dak.


