Hoe word ik correspondent?

In mei 2020 zijn er verkiezingen in Suriname. Dat is niet alleen heel spannend omdat er twintig jaar wordt geëist in een strafzaak tegen de huidige president (die zich op 73-jarige leeftijd voor nog een termijn van vijf jaar verkiesbaar stelt), maar ook omdat Zoë Deceuninck de kans krijgt hierover (allebei) te berichten voor binnenlandse én buitenlandse media.

Als dat lukt, tenminste. Want in België lopen maar weinig mensen warm van een oude man die zijn macht niet wil afstaan en ook in Nederland is de aandacht voor hun voormalige kolonie aanzienlijk minder dan tien jaar geleden. Al durven ze voor Bouterse wel een uitzondering te maken. Zozeer zelfs, dat alles in dit land volgens een Nederlandse redactie de schuld van Bouterse is. Ook als hij met een onderwerp weinig tot niets te maken heeft moet Bouterse zijn naam in de krantenkop, in de heilige overtuiging dat hij lezers aantrekt in plaats van afstoot (zoals dat hier wel eens het geval is).

Ik wil de tijd tot aan de verkiezingen gebruiken om enkele spraakmakende artikelen te maken. Parbode, mijn Surinaamse werkgever, geniet daarbij mijn prioriteit. Niet alleen omdat ik het gevoel heb dat ik in het magazine kan schrijven zoals ik altijd gedroomd heb (vrij en ambitieus), maar ook omdat publicaties in de Parbode worden gelezen door mensen die genoegen nemen met ‘de waarheid’, of tot zover ik in staat ben die op papier te zetten.

Op verschillende sociale media noem ik mezelf correspondent. In mijn ogen is een correspondent een journalist die vanuit een ander land berichten maakt voor het ‘thuisfront’, de plaats waar de werkgever woont. In mijn geval is Nederland (af en toe België en al één keer Frankrijk) mijn thuisfront. Dat ik berichten vanuit Suriname heb geschreven voor een thuisfront maakt van mij een correspondent. Geen geweldige, want ik moet nog veel leren. Ook geen succesvolle, want daarvoor moet ik nog téveel leren. Maar als ik eerlijk ben tegen mezelf kan ik me (nog?) niet vinden in mijn zelf-opgeplakte titel.

Ik ben een journalist. Dat weet ik, omdat ik voel dat ik de journalistiek belichaam. Ik ga ermee slapen en sta ermee op. Dat weet ik, omdat ik gek zou worden als ik niet meer zou schrijven over onderwerpen die de levens van mijn omgeving beïnvloeden en veranderen. Omdat mijn vingers jeuken als ik lang (een week) niet geschreven heb. Omdat mijn honger naar verhalen nooit stilt, en meer nog omdat ik onderdeel wil zijn van verhalen die niet over mij gaan, maar waar ik desondanks wel het fijne van wil (en mag) weten in mijn functie als journalist. Ik ben een journalist omdat ik wil schrijven, vertellen en bijdragen.

Een correspondent is meer dan een journalist. Een journalist moet het verhaal kaderen in de omgeving waar die woont. Dat is soms moeilijk en andere keren onmogelijk, en al zeker voor een buitenlandse journalist. Die moet zich allereerst kaderen in de leefwereld waar hij de verhalen hoort, om ze nadien – net zoals elke andere journalist – te onderzoeken en vertellen. Een correspondent moet diezelfde verhalen ook weten te vertalen naar de leefwereld van het thuisfront. Een verhaal dat hier op zich al interessant genoeg is omdat het de levens van Surinaamse burgers beïnvloedt, is voor het thuisfront vaak niet interessant (genoeg). Daar kan ik inkomen. We kunnen en willen niet van alle ontwikkelingen in alle landen ter wereld op de hoogte blijven,. Het is verder ook niet aan mij om te beslissen wat interessant genoeg is, daarvoor is er een eindredactie. Tot daaraan toe kan ik volgen.

Maar wanneer verhalen op vraag van datzelfde thuisfront ook nog eens ‘opgeleukt’ moeten worden opdat de lezen het wel zal lezen, haak ik af. Eens zei mijn schoonheidsspecialiste spottend tegen mij dat Nederlanders (ze ging ervan uit dat ik uit Nederland kwam) graag denken dat alle Surinamers in kartonnen dozen wonen. En ze had geen ongelijk. Ramptoerisme is de Nederlandse (net zoals de Belgische en over het algemeen de westerse) samenleving niet vreemd. We lezen (graag) over armoede, oorlog, onderdrukking, onderontwikkeling en ongeluk. Het geeft ons het gevoel dat we zelf wel goed bezig zijn.

Vanuit het thuisfront krijg ik geregeld commentaar op mijn teksten. Opvallend is dat België veel minder commentaar levert dan Nederland, hoewel het ook niet correct is om alle Nederlandse media waarvoor ik al heb geschreven over éénzelfde kam te scheren. Daarbij: ik heb vanuit Suriname maar voor één Belgisch medium geschreven dus de vergelijking is scheef. De commentaar die daarbij het hardste aankwam, is dat mijn teksten lijken op een Wikipedia-pagina (met andere woorden: iedereen kan dit schrijven). Ik zou – en dit stond letterlijk in de e-mail – te feitelijk schrijven waardoor de tekst niet meer aantrekkelijk was. Nu, maanden na die toch wel pijnlijke mail, kan ik het beter relativeren. Voor een opsomming van de feiten gaat iemand inderdaad naar Wikipedia, voor een belevenis van de gebeurtenissen durft men de krant er nog bij te pakken.

Volgens Google heeft de correspondent een ‘nadrukkelijke rapportagetaak’. Maak daar in mijn ogen gerust ‘reportagetaak’ van. Het thuisfront moet de palmbomen horen ruisen, het zweet op de lippen proeven en de spanning (be)grijpen bij het lezen van mijn verhaal. Anders lezen ze niet. En nu komt het onverklaarbare: in de Parbode lijkt dit als vanzelf te gaan. Mijn verhalen tellen zowel feiten als adjectieven en zetten naast de boodschap ook nog eens de sfeer neer. Elk verhaal een beetje beter, met steeds meer (achtergrond)kennis en balans. Voor mijn correspondentie gebeurt het tegenovergestelde. Ik wil het ‘juiste’ (lees: meest realistische) beeld graag neerzetten, dat mijn artikel vervalt tot een woordensoep aan feiten.

Mijn laatste correspondentie is daardoor afgeblazen. Eerst werd me toegezegd, waarna ik op onderzoek uitging en zoveel informatie verzamelde dat ik door het bos de bomen niet meer zag. Ondanks dat ik op verschillende noemenswaardige locaties was geweest (waaronder de goudvelden) leek ik niet in staat één verhaal te vertellen: hét verhaal. Ik heb het tot drie keer toe geprobeerd, waarna de eindredactie uiteindelijk afzegde. Dit is de tweede keer dat ik het meemaakte, eenmaal voor een Belgische (toekomstige) werkgever en nu voor een Nederlandse. Over demotivatie gesproken. Wat houdt me over de toetsen gebogen?

Simpel: koppigheid. Ik wil het kunnen. Niet zozeer om de centen (die natuurlijk bijdragen) en de erkenning van mijn naam in een voor mijn vrienden en familie herkenbaar blad, maar meer nog om mezelf niet teleur te stellen. Ik wil aan mezelf bewijzen dat ik het kan, ook al is niet iedereen het daarover eens. Het is mijn droom, niet alleen om journalist, maar ook correspondent te worden. Om de wereld (lees: het thuisfront) te vertellen wat er net naast mij gebeurt. Daarom zijn de verkiezingen in Suriname een kans. Ik heb nog een jaar om me te klaar te stomen. Dan moet ik er klaar voor zijn.

Ik hou jullie op de hoogte.

varens

Niet voorbereid

De tranen springen me in de ogen als ik terugdenk aan mijn vakantie in België. Wat heb ik genoten. Er is toch een bepaalde menselijke warmte die alleen je vrienden je kunnen geven. Fietsen door mijn eigen stad, oog in oog met mijn eigen geschiedenis, samen de zonsondergang tegemoet, lachen om het verleden en dromen over de toekomst. Een toekomst die we weliswaar allemaal apart zullen doorbrengen, maar die voor altijd verbonden blijft met ons verleden.

Iedereen zoekt. Is het niet in relaties dan wel in een plaats om te wonen of werken.

Ik mag dan wel aan de andere kant van de oceaan wonen, ik leef hetzelfde leven als mijn vrienden thuis. Op zoek naar een huisje, tuintje, boompje. Ik heb het lang ontweken en moest per se voor op wereldreis om het te ontwijken, maar ik veronderstel dat het leven onvermijdelijk is. Een mens moet nu eenmaal ergens wonen, is geneigd zijn of haar leven te delen en als het nog eens kan om zich ook te gaan vermenigvuldigen. De zoektocht naar hoe dat huisje, waar dat tuintje en welk boompje daarbij komt kijken brengt ons mooie dagen en donkere dagen, waar de wereld op lijkt te vergaan, maar dat uiteindelijk toch niet doet.

Ik ben niet alleen in mijn falen. Dat was zo’n grote opluchting dat ik er nu bijna om moet lachen. Ik ben even alleen in mijn zoektocht als mijn vrienden thuis. We zoeken allemaal naar wat bij ons past. En niet alles past bij iedereen. Ik weet enkele dingen zeker, maar veel meer weet ik niet. Dus ik probeer maar. Dat doen we tenslotte allemaal.

Zo goed als ik was voorbereid op mijn vakantie in België, zo hard ik heb genoten van elke dag die dat me heeft gebracht, zo vergeten was ik dat ik ook nog terug naar huis moest. En dat moet ik, zoals iedereen, alleen.

Ik ben me vergeten voorbereiden op mijn terugkomst in Suriname. Dat was toch thuis geworden, dus had geen uitleg meer nodig, dacht ik. Daar heb ik me vreselijk in mispakt. Want daar komt het dan: de twijfel.

Ik heb lang genoeg in Suriname gewoond om te weten hoe mooi het leven in Europa kan zijn. Welke voordelen dat met zich meebrengt. Maar ik ben ook opgegroeid in België, en weet dus ook hoe lelijk het leven in Europa kan zijn. Alleen zag ik dat even niet, verblind door het woord ‘vakantie’ en ‘vrijheid’. Geen frustraties om vertraagde treinen, geen spits naar het werk, geen racistische opmerkingen, geen verplichtingen, geen verwachtingen.

Al wat ik zag was wat – volgens mij – elke Surinamer ziet: ontwikkeling, mooie straten, infrastructuur, voorzieningen, veiligheid, verzorgd materiaal, vooruitgang, zelfstandigheid, vrijheid.

Ik weet enkele dingen zeker, maar meer dingen weet ik niet.

Zo weet ik niet op wat mijn leven hier in Suriname gaat uitdraaien. Of het me lukt om migrant te blijven. Of ik genoegen neem om altijd de buitenlander te zijn. De buitenstaander. Of de prijs die ik betaal (het achterlaten van mijn familie, mijn vrienden, mijn geschiedenis) niet te hoog wordt. Of ik niet ook gewoon in een mooi huis wil wonen zonder dat ik me druk moet maken of ik veilig ben het moment dat ik de deur uitstap.

Ik heb het altijd anders gewild, maar nu ik zelf anders ben, weet ik niet zeker of ik het wel kan dragen. De toekomst zal het moeten uitwijzen. Ondertussen hou ik me vast aan mooie herinneringen. België heeft me gevormd tot wie ik ben vandaag, maar Suriname is nu al een deel van wie ik zal worden.

2018: mijn jaar van egoïsme

Het is aanstekelijk hoe dat werkt, zo een Facebook-tijdlijn vol jaaroverzichten. Ik had me voorgenomen niemand lastig te vallen met mijn reflecties op 2018, maar het is nu eenmaal sterker dan mezelf, dus bij deze.

2018 was voor mij het jaar waarop ik (terug) op het voetbalveld stond, het jaar van mijn eerste publicatie in een nationale krant, van een warme kerst en oneindig veel (af)was. In 2018 ging ik naar Brazilië en brak ik twee glazen in de keuken. Ik leerde vergeven in naam van de liefde en heb in mijn leven nog nooit zoveel vuurwerk gezien, of nog nooit zo weinig films. In 2018 groeide zowel mijn zelfvertrouwen als mijn wantrouwen. Ik heb het soort intens geluk ervaren waarvan ik me stiekem afvraag of het te evenaren is, maar ik ben ook oprecht bang geweest. 2018 was het jaar van onmacht, karakter, verdraagzaamheid en eerlijkheid, van cultuurshock(s), impulsiviteit en lange Skype-gesprekken.

Na mijn wereldreis in 2016 dacht ik dat het leven me nog moeilijk zou verwonderen. Wonend in Suriname is niet elke dag even spannend of uitzonderlijk, maar het is hier dat ik rust heb gevonden. Naast het jaar van nieuwe smaken en lange zinnen, was 2018 vooral mijn jaar van contentement. En dat heb ik te danken aan mijn sterke wil, oftewel groeiend egoïsme.

Op enkele compromissen na – ik leef tenslotte samen met iemand – heb ik zo goed als mogelijk gedaan wat ik wilde. In 2018 stopte ik met werken voor één baas, ondanks de zekerheid. Ik heb meer geschreven dan ooit tevoren, ondanks de frustratie. In 2018 heb ik het leven getrokken en geduwd op een pad dat ik wou bewandelen. Dat heeft me veel energie gekost, maar het is dankzij deze koppigheid dat ik hier nog steeds ben. Het is dankzij mijn wilskracht dat ik 2018 rookvrij heb doorstaan. Maar het meest bijzonder is misschien nog wel dat ik dankzij mijn doorzettingsvermogen met mijn passie geld verdien. Dat ik niet veel verdien of niet snel genoeg bereik (naar mijn zin), zijn twee details in het grote overzicht.

De Zoë die ik was op 1 januari 2018 is niet dezelfde als de Zoë die zal opstaan op 1 januari 2019. Slimmer, rustiger, doordachter, egoïstischer en minder naïef, maar als het kan even uitgelaten, vrolijk, eerlijk en grappig (al zeg ik het zelf) als tevoren. Alles mag dan nog hetzelfde blijven, zolang ik groei zal het leven veranderen.

Dat is mijn sleutel tot geluk.

Ik hoop dat ik in 2019 even gezond en openhartig mag blijven, maar niet arrogant en kortzichtig zal worden. Dat ik mag waken over mijn eigen grenzen, zonder af te doen aan mijn eigen waarheden. Dat mijn koppigheid het blijft overwinnen wanneer de liefde vervaagt, zodat de liefde kan overnemen wanneer de koppigheid verdwijnt. Dat ik in momenten van eenzaamheid een bondgenoot vind en in momenten van geluk langer blijf hangen. Dat ik niet mag vergeten waar ik vandaan kom en met opgegeven hoofd verder ga. Maar vooral dat ik meer dagen als vandaag mag leven. Onbeduidend in hun eenvoud, uitzonderlijk in hun unicum. Met mijn beste vriend aan mijn zij.

Opdat ik voldoening vind in het zijn, simpelweg omdat ik er mag wezen.
Dat wens ik in 2019. Voor mij, maar ook voor jou.

Wij zijn het probleem

Ik bevind me momenteel in een crisis.

Het nieuws lijkt vandaag de dag meer te bestaan uit journalisten en mediaplatformen die elkaar bekritiseren dan dat ze samen het nieuws bekritiseren. De onderlinge concurrentie verlaagt het niveau van niet alleen de journalist, maar ook de onderwerpen waartoe deze gedwongen wordt te schrijven.

Ja, gedwongen.

Want het kan niemand wat schelen dat in Suriname een ex-militair onterecht werd opgesloten omdat hij zijn mening heeft gedeeld. Ik moet smeken opdat ik mag schrijven over de vrouwen die dit jaar werden vermoord door hun (ex-)vriend/man. Het zal de Europeaan een worst wezen.

Wanneer het niemand kan schelen, heb ik geen werk.

Eerder op deze blog heb ik al afgegeven op het feit dat wat ik hier neerschrijf, in de vergetelheid van het internet beland. Dat is niet de schuld van ‘mijn’ lezer, maar die van het internet, en hoe (mediaplatformen) deze gebruikt:, al dan niet misbruikt. Dat bijna niemand mijn blogs leest, kan ik verkroppen met de gedachte dat ik hier schrijf, meer voor mezelf dan voor de lezer.

Maar ik verdiep me in de journalistieke ambacht in de hoop een wezenlijk verschil te maken.

Zo vervangbaar als een keukenmes
Als beginnende journalist ben ik naïef genoeg om het verschil te wíllen maken. Om vast te houden aan mijn doel; bijdragen aan de kritische bewustwording, mening en/of denkwijze van mijn directe omgeving. Dus ik smeek ze (de Europese eindredacteuren) voor een plekje in de overvolle agenda van hun dagblad/tijdschrift/site. En hoe meer artikelvoorstellen aan de kant geschoven worden, hoe minder ambitie ik over hou.

Gisteren had ik het daarover met een vriendin; ‘het verschil moet je opzoeken, we kunnen het zelf niet maken’, zei ze daarover. En ik ben verleid om haar daarin te volgen.

Dagelijks vliegen artikelen mijn Twitter- en Facebooktijdlijn voorbij. Af en toe staat daar nu een kop van mij tussen. Gezwoegd en gezweet op zowat elk woord, in de hoop een zo volledig mogelijk beeld te geven in het beperkt aantal woorden dat mij wordt opgelegd. Probeer maar eens de werkelijkheid van Suriname, een land dat letterlijk en figuurlijk ver van de Europeaan zijn/haar bed ligt, in 1000 woorden te gieten.

Ik kreeg deze week nog de opmerking van de correspondent van NOS, dat mijn probleem is dat ik ‘te volledig wil zijn’. Niet helemaal onterecht, al kan ik daarop beargumenteren dat de huidige media in haar geilheid voor ‘kliks’ te onvolledig is. En onvolledig nieuws is net zo gevaarlijk zijn als ‘fake news’. Echter, als journalist doe je of mee met de regels van het spel, of je valt af. Journalisten zijn namelijk net zo vervangbaar als een keukenmes. Je kan ze slijpen, maar wanneer het geduld op is, neem je een ander.

Als het verhaal belangrijker is dan de bedoeling die erachter zit, krijgt de journalist zijn werk niet verkocht.

Trots van korte duur
Wanneer het dan toch eindelijk zover is en Trouw, Knack of OneWorld een artikel van me post, is mijn hart vervult van trots. In alle ‘geilheid voor kliks en lezers’, deel ik de link van mijn artikel met mijn eigen netwerk. Ik spendeer uren op Twitter, Facebook en LinkedIn, hongerig naar die eerste ‘like’. ‘Kijk eens’, denk ik dan, ‘Dat is mijn verdienste’. Als het medium waarvoor ik heb geschreven dan ook nog eens mijn artikel deelt, met al dan niet een compliment over mijn werk, gloei ik vuurrood.

Nog geen uur later is mijn artikel, samen met tientallen anderen die op dezelfde seconde werd gedeeld, in de vergetelheid beland. Een tweet van Trump en de moord op een gewaardeerd en erkend journalist hebben meer nieuwswaarde dan de vijf onbekende Surinaamse vrouwen die dit werden vermoord. Mijn artikel is zonder pardon naar het land der vergetelheid gekatapulteerd. Ik begrijp dat.

Mijn brandende trots is van korte duur en maakt al snel plaats voor nieuwe hoofdpijn. Waarover zal ik nu schrijven, opdat ik volgende maand nog mijn brood kan garanderen? En het circus begint opnieuw.

Onze schuld
Het heeft nog geen maand geduurd om te beseffen dat journalisten geen andere keus hebben dan meedraaien in de informatiestroom waar we allen zo afhankelijk van zijn, lezer en (eind-)redacteur. Het heeft me geen half jaar gekost om te beseffen dat ik daar geen deel van wil uitmaken. Mijn hele leven opboksen, elleboogduwen, smeken en een ander de loef afsteken opdat er één titel vijf seconden bovenaan je tijdlijn staat? Het heeft me nog geen twaalf maanden gekost om te beseffen dat ik geen voldoening haal uit deze werkwijze.

En dat is onze schuld. Ik zeg met opzet ‘onze’ omdat ik ook deel van de oorzaak ben. Het is ook mijn schuld. Ik draag bij aan die eenzijdige informatiestroom. Ik lees niet (alles) over Burkina Faso, China of Tadzjikistan. Ik klik zelfs niet op alle koppen die gaan over Noord-Korea, Afghanistan, Syrië, Brazilië en Amerika, de landen die momenteel veel media-aandacht ‘genieten’. Ik voel me daar schuldig over – en tegelijkertijd laat dat me weer belachelijk voelen. Ik kan toch niet alles lezen wat er in de wereld wordt gepubliceerd? Ik heb toch ook mijn eigen interesses? Jij toch ook?

Ik wil geen deel uitmaken van het publieke debat waarin journalisten (en lezers) elkaar openlijk op Twitter beschuldigen van ongelijkwaardige behandeling, superioriteit, nalatigheid, onverschilligheid en gebrek aan kritische vragen. Al moet ik hierbij de kanttekening maken dat dit in Nederland veel meer een trend aan het worden is dan in België (vooralsnog).

Noem me een ‘softie’, maar ik wil goed werk leveren, niet vechten.

Ik wil gewoon mijn werk doen. Daarvoor ben ik afhankelijk van de lezer en de eindredacteur, van de persoon die op die dag beslist wat nieuwswaardig is. Maar als aanvoerder van nieuws uit Suriname moet ik smeken en vechten voor een plekje in de krant of op de site, een plaats in de lezer zijn/haar interesseveld of aandachtsspanning. Ik word daar zo moe van.

Alle begin is moeilijk
Wat bijdraagt in mijn frustratie van alle artikelvoorstellen die me worden afgewezen, is dat ik het zelf begrijp. Wie ligt wakker van het feit dat Surinaamse burgers tien vingerafdrukken op de nieuwe eID-kaart moeten zetten, in plaats van één?

Niemand.

Wil ik mijn werk afhankelijk houden van de interesses van ‘het publiek’, van algoritmes en ‘het internet’? Een erkenning zo vluchtig, dat het warme gevoel van trots geen kans krijgt na te zinderen? Mijn eigenwaarde daalt, en het bevalt me niet. Mijn zelfvertrouwen wordt aangetast, en ik on

Dat is de crisis in mijn hoofd. Ik dacht journalist te willen worden, maar de voldoening die ik hier uithaal valt enorm tegen. Een stemmetje in mijn hoofd spoort me aan om te blijven knokken, werken en investeren in mezelf. Tenminste, wie hard werkt wordt beloond. Toch?

Alle begin is moeilijk. Wil ik het spel nu meespelen, om er later – mogelijk – de vruchten van te plukken? Of zal het spel alleen maar verruwen naarmate meer burgerjournalistiek zijn intrede doet? Zal de informatiestroom, die vandaag al zo een chaos is, meer en meer misbruikt ipv gebruikt worden? En wil ik daar onderdeel van zijn?

Wil ik groeien als journalist, of als onderzoekster? Schrijf ik artikels, of boeken? Bied ik mezelf aan bij dagbladen, of tijdschriften? Of hou ik mijn mond en haal ik alles uit de kansen die me vandaag worden gegeven, (vieze) spelletjes of niet?

Wat ik wel weet, is dit: mijn verhaal zal altijd belangrijker zijn dan de bedoeling die erachter zit. Dus schrijven zal ik. Of ik ook zal verkopen, is nog maar de vraag.

Meer dan alleen maar wit

Het is niet moeilijk om me uit de groep te halen. Ik ben niet de enige witte in Suriname maar meestal wel de enige aanwezige op dat moment. Als iemand me vanop een afstand moet omschrijven, is dat ook niet moeilijk: ‘die witte’. 

En daar is op zich niets mis mee. Ook ik gebruik de uiterlijke kenmerken van mijn medemens om ze te omschrijven. ‘Die dove’, ‘die dikke’, ‘die blonde’. Het is logisch, ik kan toch moeilijk zeggen: ‘die lieve’, wanneer ik niet weet of hij of zij wel lief is?

Natuurlijk zijn we meer dan alleen maar lang, kort, dik, dun, rijk of arm. Natuurlijk ben ik meer dan alleen maar wit. Maar dat lijken we vaak genoeg te vergeten, inclusief mezelf. Het frustreert me mateloos.

Gisteren liep ik rond met de gedachte dat ik donker getint was. Ik was ervan overtuigd: ik weet hoe het voelt om ‘zwart’ te zijn. En dat in een land waar ik ‘de witte’ ben. Maar ik denk, en dat is een aanname, dat donker getinte mensen zich ook zo moeten voelen in België: geviseerd.

Ik zal altijd ‘die witte’ zijn en blijven. Ik moet dat accepteren en zoals mijn mama zegt: ik kan mijn afkomst niet verloochenen (ik zou het ook niet willen).

Het gaat er niet om of we wit zijn,  donker, lang, kort, dik of dun. Het gaat erom dat we afwijken van de norm. We zijn ‘anders’. Ik ben anders. Daar weet de norm niet mee om te gaan.

De angst voor ‘anders’ is alomtegenwoordig en overal aanwezig, naar wat ik ervaar komt die voort uit onwetendheid, onzekerheid en onvoorspelbaarheid. ‘Anders’ durft het al eens ‘anders’ aan te pakken. Alleen de norm weet in een cultuur hoe het (niet) moet. De norm zit comfortabel in haar geaccepteerde bubbel.

‘Anders’ is een bedreiging voor de norm

Wanneer je afwijkt van de norm, is het jouw ongevraagde maar opgedwongen taak om aan ‘hen’ (= de norm) te bewijzen dat je méér bent dan alleen maar wit, zwart, dik, dun, gehandicapt, verminkt, rijk, doof, arm, lang, blind, kort of wat dan ook.

Het is een opdracht die me mijn hele leven zal achtervolgen. In België ben ik de norm, in Suriname de uitzondering. Ik maak me geen illusies. Je bent het, of je bent het niet. De norm word je niet.

Het is niet mijn doel bij de norm te horen. Niemand kan zijn afkomst verloochenen, alle pogingen ten spijt. Ik ben en blijf een trotse Belg, maar niet òmdat ik wit ben.

Noem het gerust een levensdoel, om aan ‘hen’ te bewijzen dat ik inderdaad wit ben, maar ook kan voetballen. Dat ik wit ben, maar ook kan schrijven. Wit, maar ook eerlijk. Wit, én passievol. Wit, eigenzinnig.

De norm zal me nooit omschrijven als ‘die journalist’ maar altijd als ‘die witte journalist’, en misschien (met wat werk) op een dag ook wel ‘die Belgische journalist’. Toch is het verschil tussen ‘die witte’ en ‘die witte journalist’ van onschatbare waarde.

Het is de erkenning van persoonlijke overwinningen, eigenschappen, verdiensten of gebreken van een persoon. We zijn meer dan alleen maar dun, doof, donker getint, arm of dik.

Ik ben meer dan alleen maar wit.

Mijn droom…

Een droomboom gemaakt door kinderen met een beperking zette me aan het denken. Nu mijn kinderlijke fantasie heeft plaatsgemaakt voor realisme, waar droom ik nog van? 

Dit weekend was ik als vrijwilliger aan het sporten met kinderen met een (motorische) beperking. Niet gemakkelijk, want sommigen konden niet zelf achter de bal aan lopen. Maar niet de fysieke uitdaging kreeg me stil, het waren de dromen die de kinderen – in zover mogelijk – en hun ouders zelf hadden opgeschreven.

Droomboom
Van ‘model worden’ en ‘nog meer mooie dagen zoals deze’ tot ‘dat mijn kind een onbeperkt leven kan leiden’. De dromen zette me stuk voor stuk aan het denken.

Ik ging op een andere manier naar mijn tien werkende vingers en twee functionerende benen kijken. Met een opgelucht, maar vooral dankbaar, gevoel. Ik kan doen wat ik denk, dat is eigenlijk niet zo vanzelfsprekend.

Twee dromen trokken extra mijn aandacht: ‘journalist worden’ en ‘ooit een wereldreis te maken’.

Na het lezen van deze twee voelde ik me in de eerste plaats meteen geslaagd. Ik heb bereikt waar anderen alleen van dromen. Niet omdat ze een beperking hebben, wel omdat ze mens zijn en dus, net zoals alle andere, dromen hebben.

Wat is mijn droom?
Aan antwoorden geen tekort, alleen leek ik niet in staat er maar ééntje uit te kiezen. Uiteindelijk was de dag om en staat mijn droom nog steeds niet op papier.

Wensen kan ik als de beste. Dat doe ik als ik een wimper vind, een kaars uit blaas of naar vuurwerk kijk. Dan wens ik een goede gezondheid, nog veel gelach met Quincy, dat er nooit meer files zijn, ik mijn artikel gepubliceerd krijg of dat ik morgen even gelukkig mag zijn als vandaag.

Maar een wens is geen droom.

Een droom vraagt om iets groots, een (algemeen) belang, een levenswerk.

Ik droom van gelijke kansen voor iedereen, een bewust leven, dat ik vijftig dingen tegelijk kan, kan tijdreizen, een goed mens word, nooit meer vroeg hoef op te staan of een perfect gebit dat niet gepoetst moet worden. Ik droom van een wereld zonder moorden, zonder haat en oorlog. Zonder armoede, ziektes, vrees, racisme, honger en (financiële) zorgen.

Eén droom
Een vrije wereld, waar iedereen durft zeggen wat hij denkt zonder negatieve gevolgen. Waar ik op twee plaatsen tegelijk kan zijn en kinderen graag naar school (kunnen) gaan. Ik droom van een wereld zonder grenzen, van onweerlegbaar vertrouwen in elkaar.

Maar de vraag was om één droom op te schrijven. Welke zou ik kiezen? Meer nog; welke heb ik eigenlijk in de  hand?

Ik kan mijn best doen gezond te leven, maar wanneer mijn oom stierf aan kanker was het niet omdat ik die ochtend een zak chips in plaats van een appel had gegeten. Ik kan eten kopen voor de zwerver op de hoek, maar wat met die honderden, duizenden, miljoenen, miljarden andere hongerige, waaronder ook kinderen?

Mijn droom is…

Ik droom van een leven als kwaliteitsvolle onderzoeksjournalist. Eentje die moorden, haat, oorlog, armoede, ziektes, hoop, vrees, racisme, liefde, honger en zorgen in vraag stelt. Een schrijfster die strijdt voor het vrije woord, de vrije wereld. Die schrijft zonder haar vertrouwen te verliezen, in haarzelf en de medemens. Eentje die met haar werk vragen doet rijzen.

Opdat we allemaal een bewust leven kunnen leiden, in verdriet én geluk.

 

Fotocredits (+omslagfoto): © Ruby Chin A Fat

WhatsApp Image 2018-10-06 at 17.34.31
Samen met enkele andere vrijwilligers van Global Shapers Paramaribo op de World CP Day.

Dit is het

Tijd om stil te staan bij wat ik heb bereikt.

Als achtjarige was ik verknocht aan mijn dagboek. Wanneer de juf vroeg wat ik later wou worden, was mijn antwoord: ‘schrijfster’. Tien jaar later had ik een diploma fotografie op zak en vertrok ik met mijn hebben en houwen naar een kamer in Mechelen, waar ik journalistiek studeerde. Televisiejournalistiek weliswaar, want video was immers ‘de toekomst’.

Twee jaar geleden kreeg ik op mijn sollicitatiegesprek in Suriname de vraag waar mijn voorkeur naar uitging: schrijven, fotografie of video. ‘De combinatie’ was mijn antwoord. Chetskeys (de naam van het creatief mediabedrijf waarvoor ik werkte) heeft me geleerd wat ik (niet) wil. Ze hebben me geholpen in mijn integratieproces en daar ben ik ze ontzettend dankbaar voor.

Nu is het tijd voor mijn ‘eigen ding’. Telvisie mag dan nog steeds ‘de toekomst’ zijn, het is niet die van mij. En de achtjarige in mij heeft het altijd al geweten.

Mijn eerste tien dagen als freelance journalist zitten er ondertussen al op, en ik heb me in geen tijden zo goed gevoeld. Omdat ik weet wat ik wil, omdat ik voel dat dit het is, en omdat het nog lijkt te lukken ook! Afgelopen dinsdag had ik mijn eerste volledige pagina in een landelijke krant (Trouw Nederland) te pakken. Ik kon me de rest van de dag niet concentreren op ander werk. Ik zat hier maar, voldaan op mijn stoel, niets anders aan het doen dan genieten van het trotse gevoel dat me overspoelde.

Dit is het.

Er wordt gezegd dat je studententijd dé tijd van je leven is. Voor mij ligt dat toch even anders. Ondanks dat ik met veel plezier terugdenk aan die tijd, heb ik me zelden zo voldaan gevoeld als vandaag. En gisteren. En vorige week.

Ik kijk om me heen en ben tevreden met wat ik zie. Ik woon niet in een groot huis, al zeker niet vergeleken met de huizen waar mijn vrienden in België intrekken, noch is het even modern of echt vàn ons. Maar het is thuis. Ik heb het gevonden.

Elke cel in mijn lichaam beseft de strijd die ik hiervoor heb moeten leveren. Een strijd die ongetwijfeld nog niet gedaan is, maar de laatste weken wel even op pauze staat. Ik ben tevreden met mijzelf, met wat en wie ik rond me heb. Dat is een, voor mij, vreemd gevoel. Ik ben altijd iemand die méér wilt. Dat dit genoeg is, maakt me intens gelukkig.

Twintig dagboeken, een diploma fotografie en journalistiek, een wereldreis, een man, een verhuis naar Suriname en een pagina in een landelijke krant later lig ik gelukkig in de armen van mijn vriend.

Dit is het, en daar moest ik toch even bij stilstaan. Ik stel voor dat jij hetzelfde doet, want de mens is een vooruitstrevend wezen. We staan zelden stil bij wat we wél hebben en kijken teveel naar wat we nog meer willen. Daar maak ik mij ook 99% van de tijd schuldig aan. Maar zo vergeten we onszelf te appreciëren voor wat we al hebben bereikt, hoe klein dat ook moge zijn (in iemand anders ogen).

Woorden te koop

Ik heb mijn werk opgezegd. Vanaf 6 augustus ben ik officieel een fulltime freelance journalist. 

Twee jaar geleden schreef ik voor Surinaams dagblad de Ware Tijd een artikel over de Global Shapers Paramaribo (GSP), een vereniging waar tientallen jongeren zich vrijwillig inzetten voor een duurzaam Suriname. Vandaag mag ik me zelf kandidaat-Shaper noemen van deze organisatie.

De jongeren van GSP – wij – komen maandelijks samen, maar groeperen ons daarnaast ook in kleine werkgroepen, die verschillende projecten trekken. Op een meeting van laatst bevond ik me in de kantine van het universiteitscomplex. Ik zat er samen met onder andere Jamille, een mede-shaper die ik twee jaar geleden interviewde voor mijn artikel.

Jamille vertelde een anekdote. Een vrouw had hem namelijk benaderd in verband met een mogelijk project voor de GSP. Ze had over ons gelezen in een krantenartikel in de weekendbijlage Mens en Maatschappij van dagblad de Ware Tijd. In 2016. Hoe ze dat nog zo goed wist, was omdat ze het artikel had uitgeknipt en bewaard. Om nu, twee jaar later, contact op te nemen.

Jeukende vingers
Het was daar, op die meeting, dat de beslissing voor mij is gevallen – al beweert een ander stemmetje in mijn hoofd dat er nooit een andere optie bestond: ik moet verder schrijven. Schrijven, interviewen, onderzoeken, schrijven, verkopen, publiceren, schrijven, schrappen, meer schrijven, langer schrijven, beter schrijven. Schrijven. Alle uren van de dag en enkele van de nacht. Mijn vingers jeuken bij de gedachte. De constatatie dat ik impact maak met mijn woorden, hoe klein die ook moge zijn, is voor mij genoeg om mijn pen op te pakken.

Want niet alleen verdient elke samenleving het recht op het eerlijk woord, het verdient ook antwoorden op vragen die het niet durft, kan of wil stellen. Opdat de vrijwillige lezer zijn of haar eigen mening kan vormen, onafhankelijk van die van de journalist. Als ik met mijn woorden mensen kan aansporen te denken, spreken, handelen, dan is dat voor mij genoeg. Genoeg om mijn leven aan te wijden.

Roeping
Ze noemen het een roeping. Ik kan begrijpen van waar dat woord komt, een onzichtbare stem roept mijn aandacht telkens opnieuw naar dat lege papier, met lijntjes, zonder lijntjes, A4 of in vier gescheurd, wit of gekleurd. Zolang er inkt uit mijn pen zal vloeien zullen de woorden zich blijven vormen. Al is het maar omdat ik niet weet wat ik anders moet doen.

Maar roeping of niet, ik heb het altijd al gevoeld, soms geweten. Er is alleen één klein probleem: met doorzettingsvermogen en wilskracht alleen smeer je nog geen boterham. Hoe ik mijn geld zal verdienen nu ik mijn baan heb opgezegd, is een groot vraagteken. Het is nu de uitdaging om mensen te vinden die mijn woorden willen kopen. Die mijn zinnen willen lezen.

Ik geloof in mijn eigen kunnen.

En in de woorden van mijn mama: wie hard werkt, komt er wel. Misschien niet op tijd, misschien niet wanneer je het nodig hebt, maar het komt. Daar geloof ik in, en niet alleen omdat ik een blind vertrouwen heb in mijn mama, ook omdat ik er niet alleen voor sta. En hoewel liefde ook geen boterham smeert, kan het wel een hart verwarmen. Met een warm hart kun je niets anders dan goede dingen doen. Toch?

IMG_8227
© Quincy Westenburg

 

 

 

 

Vluchtgedrag

Soms vergt het meer moed om te blijven dan weg te gaan. Onlangs werd ik er door iemand in mijn omgeving op gewezen dat ik het niet echt naar mijn zin had in Suriname. Zij had die mening gebaseerd op het lezen van mijn blogs.

Het is namelijk waar dat ik schrijf wanneer ik me slecht voel. En dat ik dat ook deel. Omdat ik vind dat het leven niet alleen bestaat uit mooie Instagramfoto’s en succes, maar ook uit tegenslagen, verdriet, onmacht, kritische vraagstukken en zoektochten. En daar moeten we niet geheimzinnig over doen. Dat mijn blog zich heeft getransformeerd van een schoolopdracht tot het dagboek van een wereldreiziger naar de donkere pagina’s van een immigratie-zoektocht, moet dan maar zo zijn. Ik ga er ergens vanuit dat weinig mensen me lezen, wat het ook gemakkelijk maakt om mijn gevoelens bloot te leggen.

Een collega van me gaf ooit een reactie op één van mijn eerste blogposts in Suriname. Ze vond het mooi dat ik me zo kwetsbaar durfde openstellen, en gaf aan dat zulke mensen zeldzaam zijn geworden. Een jaar later probeer ik me nog steeds sterk te houden onder de druk van ‘het kwetsbaar zijn’. Jezelf kwetsbaar opstellen komt je namelijk niet altijd ten goede in het leven, en al zeker niet in het bedrijfsleven, heb ik zo mogen ondervinden. Maar je kan als persoon ook kiezen naar wie je luistert.

Naar zij die je de verkeerde kant opsturen omdat ze profijt willen halen uit jouw tegenslagen, of naar zij die respect hebben voor wie je bent, inclusief alle gebreken. Laatste dagen betrap ik mezelf op een gevoel dat ik wil wegtrekken. Colombia. Brazilië. Equador. Cuba. Het ligt allemaal niet zo ver, vergeleken met België. Gaan reizen, terug al schrijvend op de lange busritten, wandelend door onbekende paden, verdwalend in een koffiehuisje, al lezend in de luchthaven of een uitdaging vinden in het bestellen van eten. Onverstoord mijn ding kunnen doen en niemand die me kent. Met rust gelaten worden.

Hoelang ik weg zou gaan, dat weet ik niet. Weken? Maanden? Ik heb alleen de neiging om er even tussenuit te gaan. Maar ergens is er ook dat waarschuwende stemmetje in mijn achterhoofd: is dat wel de oplossing? Want je kan reizen, en blijven reizen, en bus na bus, vliegtuig na vliegtuig, kilometer na kilometer ontdekken, maar op een gegeven moment stopt het ook. En wat dan? Heb ik het niet al moeilijk genoeg in mijn zoektocht naar een thuis?

Ik vlucht omdat ik moe ben van te blijven. Mijn vingers jeuken naar de pagina’s van mijn dagboek, waar niemand me tegenspreekt. Mijn oren jeuken naar de stilte van een pittoresk hostel in het midden van de bergen, waar niemand me aanspreekt. Mijn lichaam verlangt naar een plaats die niets anders dan tijdelijk kan zijn. En wat dan? Want tijdelijk heeft ook zijn limiet.

Mijn egoïstische ‘ik’ heeft het gehad met iedereen die het altijd beter lijkt te weten. Mijn gezellige ik wil met wat vrienden op terras gaan zitten. Mijn liefdevolle ik wil met Quincy de avond doorbrengen in het kaarslicht. Mijn nieuwsgierige ik wil het politieke landschap van Suriname verder ontdekken, mijn toekomstige ik wil zich geen zorgen maken om haar bankrekening en mijn rustige ik wil een plek voor zichzelf blijven bouwen, waar het op een goede dag kan thuiskomen.

Wil ik kans maken op zo een plek, moet ik blijven. Omdat ik voel dat het mogelijk is, hier in Suriname waar al mijn vraagtekens liggen en naar ik zoek ook de antwoorden. Omdat er een vibe van mogelijkheden en potentie in de lucht hangt. Onzichtbaar, maar tegelijk heel aanwezig. Ik voel het in mijn vingertoppen, maar kan het (nog?) niet grijpen.

Ik mis België. Vooral op dit moment, wanneer iedereen zo nationalistisch doet tijdens het Wereldkampioenschap en een Jupiler zoveel beter smaakt wanneer de Rode Duivels spelen. Maar ook in België zat ik met dat onrustig gevoel, dat mogelijks nog groter was. Of ik het naar mijn zin heb in Suriname is niet de juiste vraag. Hoewel ik een haat-liefde-relatie met dit land aan het ontwikkelen ben, is er die vibe van mogelijkheden die me met een onzichtbare draad aan dit land bind. En die draad wil ik niet doorknippen, want het is alles waar ik op terugval. Vraag me liever om vanavond een biertje te gaan drinken.

 

Gebakken lucht

Op sommige dagen is Suriname al zijn charme kwijt. Dan mag de zon nog schijnen – iets wat hier de laatste tijd weinig voorvalt gezien het regenseizoen – als iemand je met een knuppel bedreigt omdat je iemand ànders zogenaamd hindert in parkeerruimte, rijst bij mij de vraag wat hier nog verdomme de moeite waard is in dit land.

Ik ben vermoeid van alle emotionele inspanningen die ik de laatste tijd moet leveren, maar niet kan delen. Binnen in mij woedt een hevige emotionele orkaan. Een orkaan die al enkele weken aan het rijzen is, maar ik ondanks al mijn pogingen niet kan onderdrukken. Een orkaan die het uiterste van me vraagt, elke dag opnieuw. Een orkaan waarvan anderen ervan uitgaan dat die niet bestaat, want ik woon hier toch al langer dan een jaar. Een orkaan die ik, van nature een openhartig persoon, niet kan delen.

Dus ik zwijg, want de waarheid zal de geliefden rondom mij kwetsen. En ik zwijg, want ik heb het toch niet goed. En ik zwijg, want emotionele problemen breng je niet naar het werk. En ik zwijg, want wat ik voel is toch niet juist.
Ik zwijg, want ervaring in Suriname leerde me niet iedereen te vertrouwen. Gedeelde informatie waarin je je kwetsbaar opstelt durft namelijk al eens tegen je gebruikt te worden. En dat kan ik dan weer niet gebruiken.

Je kan me doen zwijgen, maar schrijven zal ik altijd.
Zo zijn de woorden toch gezegd, zonder mijn lippen te gebruiken.

Alle emotionaliteit op een stokje, begin ik dan te wenen. Maar dat mag ook niet, want wenen is voor zwakke mensen. Tonen dat ik bang ben als iemand met een knuppel komt aandraven mag ook niet, want dan zien ze je zwakke plek. Helemaal gedesoriënteerd, dat ben ik. Ik wil me opsluiten in mijn kamer en niet meer buitenkomen. Want wat is hier nog de moeite waard in dit land?

Laatst sprak ik met een collega over het huren van een huis. Waarom zij vindt dat ik moet kopen. Waarom ik dat nog véél te vroeg vind. Waarop zij vraagt: ‘Waarom? Ben je dan niet zeker?’ En ik eerlijk antwoord: ‘Nee.’

Ik ben niet zeker van dit land, met een samenleving die niet gebaseerd is op waardering van je werk, maar op het aantal kinderen dat je baart. Een land waarin een compliment van een man als een bedreiging aanvoelt en in een nutteloze seconde je zorgeloze dag omslaat in een nachtmerrie. Alleen maar omdat je niet ‘de norm’ bent van de maatschappij. Niet alleen ben ik daarom steeds ‘in gevaar’, ik sleur ook mijn vriend mee in het verhaal.

Het maakt me onzeker. Soms kijk ik naar mezelf in de spiegel en kan ik niet geloven dat ik de wereld ben rondgereist. Alleen. Waar is mijn moed naartoe, mijn zelfzekerheid?

Dat er mij verteld wordt hoe ik moet voelen wanneer, daar kan ik niet mee om. Niet alleen is het een belemmering van mijn persoonlijke vrijheid, het zorgt voor innerlijke frustraties die ik dan – alweer – niet ‘mag’ uiten wanneer ik daar zin in heb. Om nadien te horen dat je vooral mezelf moet blijven, onder alle omstandigheden.

Gebakken lucht, noem ik dat.

Note:
Tijdens het schrijven van dit bericht ben ik onder emotionele invloed. Relativeren is niet mijn sterkste kant wanneer gevoelens hoog oplaaien. Dat Suriname meer is dan onmacht en criminaliteit, bewijst het feit dat ik hier nog steeds ben.
Al is het vandaag iets minder graag.

We zien wel

‘We zien wel’. Drie woorden waarmee ik twee jaar geleden niet overweg kon, maar langzamerhand leerde appreciëren. Drie woorden waarmee de Surinaamse levensgenieters de dagen vullen. Dat maakte me nieuwsgierig: vanwaar komt die mentaliteit? Mijn bazin en ik hielden een onverwachte brainstormsessie over de oorzaak van Suriname’s meest bekende – Nederlandstalige – slogan.

Mijn bazin is waarschijnlijk één van de drukst bezette vrouwen in Suriname. Het is dan ook geen vrouw waarbij je vaak de kans krijgt om gezellig over een kop thee te filosoferen over het ‘menszijn’. Echter, afgelopen week bevond ik me in een soortgelijke situatie. Zonder kop thee welliswaar, maar de filosofie daarvoor niet minder interessant. Op de terugweg van een meeting hadden we het namelijk over toekomstgericht denken. Iets wat weinig Surinamers naar mijn inziens in zich dragen. In tegendeel, mijn ervaring met Surinamers is dat ze levensgenieters zijn, die leven van dag tot dag met een vaste slogan: ‘we zien wel’.

En daar had mijn bazin wat moois over te zeggen

Soms denk ik dat de oorzaak van ‘we zien wel’ ligt in de onderdrukte geschiedenis van Suriname. Als slaaf heb je namelijk weinig om naar uit te kijken. Dan plan je niet voor volgende week, laat staan volgende maand. Slaven zijn gefocust op overleving, niet op planning. Je leert je kinderen ook niet vooruit denken, je overleeft eerst vandaag. De rest ‘zien we wel’. Dit is een zelfverzonnen theorie die niet wetenschappelijk onderbouwt is, en indien het dat wel is heb ik er – nog – geen notie van.

Eén met de natuur
Mijn bazin had echter ook een mooie aanvullende theorie op deze mogelijke oorzaak van de maar al bekende slogan. Als boslandbewoner in de jungle van Suriname (en hoofdstad Paramaribo was vroeger een even grote jungle als de rest van het land) leef je op de tijd van de natuur. Je eet pas vis wanneer je vis hebt gevangen. Je plukt vruchten wanneer ze rijp zijn. Je overlevingskansen zijn overgeleverd aan de klok van de natuur. Je kan dus niet anders dan je op haar afstemmen. In de tijd dat je geen vis kan vangen, zie je wel. In de periode dat de vruchten rijpen, zie je wel. Onderdanig aan haar veranderingen, stel je je als mens af op de regels van de natuur. Bij volle maan moet je tenslotte op niet veel vis hopen. Dus je probeert, je ondergaat en onderneemt en je ziet wel wat het wordt. Lukt het vandaag niet, dan misschien morgen.

Een mooie gedachtengang die me eraan herinnert waarom ik hier ben

Omdat de wijzers op de klok je leven niet bepalen. Omdat er ook dagen komen die je niet hoeft te plannen. Omdat je als mens niet aan technologie, materie of snelheid onderhevig bent, maar aan de natuur, eigen overlevingsskills en kennisvergaring.

Aantrekkingskracht
Jammer genoeg(?) leeft in hoofdstad Paramaribo ook al meer van de technologie en snelheid dan van de natuur en overlevingsskills. Zelfs in de diepe jungle lopen jongeren voorovergebogen met hun neus op hun schermpje te zoeken naar het interessantste Facebookbericht. Maar nog steeds is er de ‘we zien wel’-mentaliteit, die me tegelijk aantrekt en frustreert.

Het is aantrekkelijk omdat ik, als geboren planner en ‘vooruitkijker’, de tijd leer te relativeren. Het brengt mijn energiepijl in balans, want sommige dingen kunnen nu eenmaal ook morgen.
Het is frustrerend omdat anderen net zo denken, ook als ik afhankelijk ben van hun prioriteitenlijst of acties. Dan stagneert een creatief proces, een spaarplan, een artikel of een onderneming.

‘We zien wel’. Het zijn drie woorden waar ik meer dan twee jaar geleden, bij mijn eerste aankomst in Suriname, helemaal niet mee overweg kon. Hoezo zien we wel, wanneer zien we wel en wat zullen we dan wel zien? Die onzekerheid maakte me paniekerig en roekeloos. De controlefreak in mij wou weten wat ik dan wel ging zien, wat ik moest meepakken als we dan wel gingen zien, hoe laat ik ging zien en wat ik moest aantrekken om te gaan zien. Oh ja, en moest ik al gegeten hebben voor we zouden zien of werd er eten voorzien wanneer we zouden zien?

Nu betrap ik mezelf soms op het uitspreken van volgende drie woorden: ‘we zien wel’.

Voor altijd tijdelijk

Er zit iets heel verleidelijk in het woord ‘tijdelijk’. Als in: niet voor altijd. Het enige wat je te doen staat in ‘tijdelijk’ is genieten, in de wetenschap dat het moment eindigt. Een weekend, bijvoorbeeld, is heerlijk tijdelijk, en daarbij ook intens genieten.

Tijdelijk is er eigenlijk altijd. Want ook mijn leven is tijdelijk. Laatst bedacht ik me het volgende: ik zal de nieuwjaarviering van 2100 – hoogstwaarschijnlijk – nooit meemaken (tenzij ik 105 jaar word). Dat is best wel vreemd, want de baby’s van nu (en dan denk ik meteen aan twee mijn neefjes van 6 maanden en nichtje van 1,5 jaar) zullen dat hopelijk wel nog vieren, hetzij dan grijs en verrimpelt.

Maar het leven zal doordraaien, ook in 2099. En dat zal zonder mij zijn. Maar mijn hele leven als ‘tijdelijk’ bestempelen geeft het meteen veel minder waarde. En als er iets is wat ik graag doe in mijn leven, dan is het mijzelf belangrijk voelen (ook al kent dat zijn grenzen). Daarom leef ik van moment naar moment, en eigenlijk doen we dat allemaal wel een beetje. Sommigen leven van weekend naar weekend of van maand tot maand,   anderen van ochtend tot avond en weer anderen hebben niet de luxe om verder te kijken dan enkele uren. Andere plannen heel hun leven uit.

Ik ook. Ik ben bijna geobsedeerd met het plannen van mijn toekomst. Zo bang dat ik zal mislukken in het ‘mens zijn’, dat ik niet weet hoe het dan wel moet. Dat we moeten genieten, hoor je van alle kanten. Dat je maar 1 keer leeft, ook. Dat je elk moment moet aangrijpen en dat het leven je maar 1 kans geeft, dat je dankbaar moet zijn en je dromen achterna moet gaan en al die andere onzinnige quotes die hun best doen om beter te klinken in het Engels.

Ze vervelen me. Want terwijl de ene na de andere quote creatief probeert te zijn, komt die onzichtbare druk op mijn schouders liggen. Ben ik wel genoeg aan het genieten, werk ik niet teveel, ga ik te weinig mijn dromen achterna, wil ik toch fulltime schrijven, geef ik niet teveel op, moet mijn relatie zijn zoals in de films, gebruik ik elk moment, laat ik kansen liggen, moet ik verder reizen, mijn vriend zijn dromen volgen, de eenzaamheid opzoeken of toch maar terug naar mijn familie, waar het voor mij allemaal begon?

Het zijn vragen die bij elke onzinnige quote waarin mensen inspiratie zoeken zwaarder wegen. Maar wat moet die wetenschap me bijbrengen, een antwoord? Want tenslotte hebben de quotes gelijk, toch? We zijn hier maar 1 keer. Dan moeten we het goed doen. Maar wat is goed voor mij? Ik weet niet wat ik zoek, ik weet alleen dàt ik zoek. Een onbevredigd verlangen dat ik niet kan plaatsen en dus ook niet achterna kan gaan. Dus blijf ik trappelend staan. Of ga ik op die manier ook vooruit? Is het ook tijdelijk en hoe kan ik daar dan van genieten?

Je verhuist niet naar een ander land voor ‘tijdelijk’. Tijdelijk ga je op reis, maar wanneer je investeert in een woning, interieur, auto, andere levensstijl, andere denkwijze en een relatie, spreek je niet meer over tijdelijk. Meer nog, dan wordt het gevaarlijk om in termen van ‘tijdelijk’ te denken. Want dan betekent ‘tijdelijk’ twijfel, en laat twijfel nu net een boosdoener van progressie zijn.

Ik doe mijn best het plezier te vinden in de zoektocht, because it is not about the destination, it’s the journey (Volgens mij is deze van Ralph Waldo Emerson, maar de quote kent op het net zoveel verschillende schrijvers dat ik niet zeker ben). Mijn zoektocht is naar mijn gevoel alles behalve tijdelijk. En dat is net wat me zoveel angst aanjaagt. Want ik ben bang dat dezeverscheurdheid voor altijd duurt, maar aan de andere kant wil ik nooit stoppen met zoeken, want ik weet niet wat ik anders zou moeten doen.

Daarom komen de reiskriebels weer opzetten. Ik moet op zoek, en ook al twijfel ik of ik mijn antwoorden ga vinden op een andere plaats, ik weet niet waar ik anders moet beginnen. Elke plaats brengt namelijk een ander deel van mijn persoonlijkheid naar boven, wat me weer nieuwe inzichten over mezelf geeft. En dat is een bevredigende gedachte.

 

Waar of niet waar?

Mika Kraft (20) was drie weken in Suriname en beantwoordde 10 door-mij-verzonnen-Surinaamse stellingen met ‘waar’ of ‘niet waar’. Sommige zijn om te provoceren, enkele heb ik zelf ondervonden en met nog andere ben ik het dan weer niet eens. Uit eigen ervaring weet ik dat elke reisstijl een ander verhaal naar huis brengt. Als Europeaan is Suriname goedkoop, als stagiaire is het een feest en als immigrant onvoorspelbaar. Maar welke indruk laat het land achter bij een jonge solo-vakantieganger?

Wie is Mika?
De twintigjarige avonturier is afkomstig uit Nijmegen, Nederland. Na enkele bewogen studiejaren, waaronder ook eentje van Fotografie aan het KASK in Gent, besloot hij een jaar voor zichzelf te nemen. Als fotograaf is Mika niet gebrand op de mooiste foto’s en meeste ‘likes’. Hij gebruikt zijn camera liever als een middel om in contact te komen met mensen die hij zonder zijn lens niet zou zien. Vandaar zijn doel om zoveel mogelijk Surinaamse humanitaire projecten voor de lens te brengen. Ik nodig hem uit voor een avondmaal bij me thuis, de camera laat hij achter in het hostel.

Ik stelde Mika op de test namens enkele stellingen; welke inzichten heeft een jonge toerist na drie weken Suriname, tegenover een immigrant na 1 jaar?

Surinamers zijn niet op hun mondje gevallen

Waar.
Mika: ‘Surinamers durven zeggen waar het op staat. Dat merk ik heel hard in de media, die geen censuur kent. Persvrijheid zegt wat over de cultuur, dat Surinamers wel uitspreken waar het op staat. Ook wanneer ik wildvreemden vraag hoe het gaat, krijg ik vaak een politiek gerelateerd antwoord. Desondanks blijft het overgrote deel van het contact informeel.’

Stad en het binnenland zijn twee verschillende leefwerelden

Waar.

30221549_1833227090060888_85101448370585600_o
© Mika Kraft

Mika: ‘Het zijn twee andere, maar geen twee afgesloten werelden. Aan de ene kant is er de relatie met de natuur, waarvoor in het binnenland meer respect is. Afval in de stad wordt gewoon uit het raam geflikkerd. In het binnenland is ook de rolverdeling tussen man en vrouw heel traditioneel ouderwets. De man gaat naar het werk en de vrouw zorgt voor de kinderen. Gereedschappen worden duurzamer gebruikt in het binnenland. Een kettingzaag kan je namelijk niet even bij de buurman lenen. Als er uiteindelijk eentje uit de stad arriveert, heeft het volgende dorp die misschien ook nodig. Stad en binnenland zijn verbonden, maar niet te vergelijken.’

Surinaamse mannen hebben weinig respect voor Surinaamse vrouwen

Onbeslist.
Mika: ‘Een namiddag was ik op stap met een Surinaamse ‘rasta’ man. Hij riep naar alle vrouwen die hij tegenkwam. Ik dacht toen bij mezelf: wat ben jij een lul. Wat wij in Europa ervaren als respectloos gedrag van man tot vrouw, wordt hier opgenomen als erkenning van het vrouw zijnde. Wanneer een Nederlandse man een vrouw nafluit, -roept, toekust of -sist, wordt dat allesbehalve beschouwd als een vorm van respect. In Nederland zou ik er dan ook iets van hebben gezegd, maar hier ken ik de context niet, daardoor is het ook lastig oordelen op deze stelling.’

De Surinaamse cultuur valt niet in één zin te omschrijven

Niet waar.
Mika: ‘De Surinaamse cultuur is samen anders. Suriname kent verschillende culturen en bevolkingsgroepen, maar deze zijn allemaal verwoven in het dagelijkse leven van het land. Samen vormen ze de Surinaamse cultuur. Dat zie je heel hard in Paramaribo, waar alle bevolkingsgroepen gezamenlijk werken, studeren, ontwikkelen, etc. Als het ware bekomen ze de nationale cultuur in het feit dat iedereen anders is.’

30127348_1833228180060779_1976672785753178112_o
© Mika Kraft

In Suriname praten ze alleen maar over eten

Niet waar.
Mika: (lacht) ‘Surinamers praten wel veel over eten, dat is waar. Maar er leeft hier zoveel meer dan eten alleen. Er wordt ook veel gesproken over vrouwen, werk, groei en ontwikkeling. Maar toch, laten we zeggen dat de helft van gesprekken over eten gaat.’ 

Suriname zit in een diepe economische crisis

Misschien waar.
Mika: ‘Het land zit in een economische dip, maar ik weet niet hoe erg. Wel merk ik dat mensen naar de stad komen alleen omdat ze iets nodig hebben, niet omdat ze iets extra te besteden hebben. De vrije uitgaven die besteed worden op cafeetjes, restaurants en kledingzaken zijn enkel op het toerisme gericht. De lokale bevolking heeft er het geld niet voor. Maar of ik het een diepe crisis mag noemen, daarvoor weet ik te weinig of de lokale bevolking er op die mate onder leidt, dat ook basisbehoeften zoals eten en drinken een nood zijn geworden.’

In Suriname is alles goedkoop

Waar.
Mika: ‘De inflatie voor een Europese toerist is momenteel heel gunstig. Dagdagelijkse voorzieningen zijn voor mij dan ook heel goedkoop. Een briefje van SRD 100 is voor mij slechts 10 euro – grof gerekend. Maar wanneer ik daarmee in de taxi wil betalen, hebben de meeste chauffeurs daarop geen wisselgeld. Terwijl als ik in Nederland met een tientje aankom, is dat het minste. Maar als je kijkt naar touroperators en hotels die in euro rekenen, is het helemaal niet meer zo goedkoop. Eigenlijk kan je stellen dat het land goedkoop is, tot je euro’s moet betalen.’

Europeanen hebben de klok, Surinamers de tijd

Waar.

30226835_1833227440060853_609886648817156096_o
© Mika Kraft


Mika: ‘Europeanen zitten zo strak in een schema dat ze er niet meer over nadenken. In Suriname is het tegenovergestelde waar, met als gevolg dat er meer tijd overblijft om te genieten van het leven. Maar dit kent ook zijn keerzijde. Heel vaak beginnen de problemen in Suriname door het tekort aan lange termijndoelstellingen. Alles rustig aankijken en zijn gangetje laten gaan werkt het ondernemerschap en de individuele ontwikkeling tegen. De stelling klopt helemaal, en heeft zowel positieve als negatieve gevolgen.’

Paramaribo is het Las Vegas van Zuid-Amerika

Niet waar.
Mika: ‘Als ik aan Las Vegas denk, denk ik aan iets anders. Toegegeven, de vele casino’s zijn heel aanwezig in Paramaribo en de stad ligt afgelegen in de jungle, net zoals Las Vegas in de woestijn, maar Paramaribo voelt niet westers aan. Ik herken het koloniaal Nederlandse verleden en enkele westerse invloeden – bijvoorbeeld in de straatborden – maar ik vind niet dat Paramaribo een westerse enclave is. Daarvoor heeft de stad veel te veel zijn eigen Surinaamse manier van leven.’ 

Suriname is een aan te raden reisbestemming voor solo-travellers

Waar.
Mika: ‘Een paar weken Suriname kan ik aanbevelen, middels een concreet doel en goede voorbereiding. Als je komt om even het land te bekijken zonder gericht doel, raad ik aan het te combineren met een rondreis door Zuid-Amerika.’

30127986_1833226783394252_9128446525104455680_o
© Mika Kraft

Liefde maakt (kleuren)blind?

‘Waar gaat je vader?’, vroeg het zoontje van Quincy’s collega, doelende op het feit dat Quincy was weggelopen. Het was zondagavond en Quincy en ik gingen kijken naar een vrouwenvoetbalwedstrijd van mijn toen toekomstige, vandaag huidige, voetbalploeg Oema Soso. Daar aangekomen stuitten we op Quincy’s collega, die samen met zijn vrouw en kinderen ook was komen supporteren. Aangezien ik vier dagen voordien had kennisgemaakt met de kinderen tijdens een potje recreatief voetballen, kwamen ze me vergezellen op de houten tribune.

Ik spoel even vooruit. Quincy moet plassen en verlaat de tribune, waarop de nog driejarige zoon bij mij komt staan en vraagt: ‘Waar gaat je vader?’ Waarna ik hard moest lachen. ‘Zo oud ziet hij er nu toch ook weer niet uit?’ Was mijn eerste gedachte. Omdat kleine nieuwsgierigaard blijft aandringen, wekt dit ook de aandacht van zijn ouders die enkele houten bankjes onder ons zitten. Moeder kijkt om en hoort de vraag van haar zoon, waarop ook zij niet anders kan doen dan lachen. ‘Hij ziet het nog niet’, lacht ze.

En toen kwam het me te binnen schieten. Oh ja, mijn vriend is donker. En ik niet. Terwijl ik voordien dacht dat het het leeftijdsverschil was waarom de kleine Quincy beschouwde als mijn vader. Het feit dat Quincy’s huid donker is, is zo vanzelfsprekend in mijn ogen dat ik er niet bij stilsta. Omdat ik niet de hele dag in de spiegel loop te kijken of op zoek ga naar mijn eigen reflecties in de ruiten, merk ik mijn eigen kleur om den duur ook niet meer op. Ik vergeet maar al te vaak dat ik blank ben, tenzij mijn omgeving me daaraan helpt herinneren, maar dat is een hoofdstuk apart.

‘Liefde maakt blind’ is een veelgebruikt gezegde. Maar maakt het ook kleurenblind? In eerste instantie denk ik van wel. Omdat je iemand graag ziet, zie je bepaalde dingen niet. Zo kan je de flapoor van je geliefde ‘niet’ zien, of zijn/haar scheve tanden, het vele beenhaar of de extra kilootjes. Wat ik bedoel: je aanvaardt je geliefde voor wie die is, ook al is dat anders dan wie je zelf bent.

Maar toen ik onlangs tegen Quincy zei dat de man die de auto tankte (dat wordt hier voor jou gedaan) de bijna 100 SRD aan muntjes in de zak niet nageteld had, moest hij lachen. ‘Natuurlijk, je bent blank.’ Dat deed mijn wenkbrauwen hoog optrekken. Niet omdat hij dat zei, maar omdat het zijn eerste reactie was. ‘Niet alles is mijn kleur, misschien heeft hij niet nageteld omdat ik een vrouw ben, of misschien omdat ik een mooie glimlach heb?’ Waarop ik enkel een flauwe glimlach als antwoord kreeg. Betreurenswaardig, want je geslacht of glimlach, dat staat los van kleur, toch?

Maar misschien komt ‘de kleur’ van de minderheid altijd neer op kleur. Ongeacht welke dat is. Wanneer je niet ‘de norm’ bent wordt ‘het gebrek’ teruggebracht op datgene wat jou ‘anders’ maakt in jouw omgeving. Hoe strijdvaardig me dat ook maakt, het maakt me nog verdrietiger.

Wat is ‘thuis’?

Mensen die me al langer kennen en/of volgen, weten dat ik moeite heb met de invulling en het vinden van het begrip ‘thuis’. Sinds ik twee jaar geleden op reis vertrok en de wereld letterlijk aan mijn voeten lag, werd het al-altijd-vanzelfsprekende concept ‘thuis’ plots niet meer zo vanzelfsprekend. En dat doet nu, twee jaar later, nog steeds pijn.

Ik kan namelijk niet schrijven, denken of praten over ‘thuis’ zonder dat ik de tranen van achter mijn lenzen voel prikken. Ik noem het melancholie; een gemoedstoestand die zich kenmerkt door een onvervuld verlangen. Ben ik dan nog steeds niet thuis gekomen?

Het is zaterdagavond en ik ben alleen thuis want manlief is aan het werk (het feit dat ik al meteen het woord ‘thuis’ gebruik in deze eerste zin zonder daarbij na te denken, zegt natuurlijk ook al heel wat). Dat betekent dat het tijd is voor mijn kwaliteitsvolle tijdsindeling – wat een saaie vertaling is voor quality time; lezen en schrijven. Iets wat ik de laatste dagen erg veel doe; ontspannende romans lezen, de kranten doornemen en journalistieke (opinie-)artikelen schrijven. Sinds mijn derde aankomst in Suriname heb ik echter nog niet veel in mijn dagboek geschreven. Dat is goed nieuws, want daar schrijf ik namelijk alleen in als ik me slecht voel.
Ik heb medelijden met de persoon die ooit mijn dagboeken leest, die zal denken dat ik wel een verschrikkelijk hard leven gehad heb. Ooit las ik eens enkele stukjes luidop voor mijn nichtje . Haar reactie was dat het net leek alsof ik in een strafkamp heb gezeten, in plaats dat ik net van een wereldreis was ‘thuisgekomen’. Zo erg is het dus.
Maar ik wijk af, zoals ik dat wel vaker durf te doen.

Wat me daarnet te binnen schoot tijdens de afwas (want dat behoort blijkbaar ook tot de kwaliteitsvolle indeling van een volwassen vrouw) is mijn definitie van thuis. Deze is al enige tijd onderhevig aan veranderingen. Want wat is thuis nu eigenlijk? Is het iets levenslang, vanzelfsprekend, permanent, standvast, compact, is het een zekerheid? Is het ok om ‘thuis’ in vraag te stellen, of beginnen daar net de problemen?

Hoe meer ik aan het reizen was, hoe vervreemder ik me van mijn ‘thuis’ ging voelen. Want thuis dat was Gent, ik kende niets anders. Maar toen ik ‘anders’ leerde kennen, was ik plots niet meer zo zeker van thuis. Ik wou mijn roots niet verloochelen, ‘thuis’ niet bedriegen maar ‘anders’ ook een kans geven. Sinds die eerste stapjes op mijn wereldreis, ondertussen al twee jaar geleden, werd ‘thuis’ plots een onzeker, bijna onbekend begrip.
Was ik wel zeker dat Gent mijn thuis was, is er maar één thuis per persoon, kan een ‘thuis’ verplaatsen, en hoe dan?

Ik besloot, zoals ik dat vaker doe als ik het niet weet, het te ondervinden. Ik verhuisde naar Suriname, ondertussen al een jaar geleden. Maar nu sta ik die glazen in te zepen en komt het me plots te binnen schieten. Thuis is de plek waar je niet altijd wilt zijn, maar altijd wilt naar terugkomen, want;

Thuis is de plek waar je pas om 1 uur in de nacht de afwas doet, omdat niemand je ertoe dwong deze vroeger te doen;
thuis is de plaats waar je dingen verliest. Je humor, je waardigheid en je autosleutels;
thuis is de plaats waar je geliefden zijn, op foto’s, in je bed of op het computerscherm, maar altijd in je hart;
thuis is de plek waar frustraties geboren, ruzies opgelost, woorden vergeven en daden verricht worden, zoals de afwas;
thuis is de plaats waar je batterij wordt opgeladen en je energie wordt uitgezogen.
thuis is waar je alleen met je gedachten durft zijn;
thuis eet je tot vervelens toe eieren met brood omdat je te lui bent een echte maaltijd klaar te maken;
thuis maakt het niet uit hoeveel haren je benen tellen;
thuis is de plaats waar je dingen vindt, zoals rust, de was en de brief die je tien jaar geleden naar je toekomstige zelf schreef;
thuis is waar je je ziel aan je dagboek vrijgeeft;
thuis is dansen in je ondergoed op de meest nietszeggende muziek;
thuis is waar dromen planten en plannen vormen.

Een huis is vier muren, een douche, toilet, fornuis en een bed.
Een thuis is de plek die je maakt om wie je bent.

Dit weekend stapte ik in mijn pyjama uit mijn voordeur. Een puffende brommer schoot voorbij op onze zanderige weg, de zon gaf zijn blauwpaarse gloed als voorsmaakje voor hij boven het huis van de overburen kwam piepen, grietje bie (naam van een vogel) kwam me groeten met zijn gezang dat erg veel op zijn naam lijkt, een jongen in schooluniform slenterde voorbij terwijl ik mijn handdoek – wak van de afgelopen nacht – van het droogrek pakte en opzag tegen het moment dat ik me daarmee moest afdrogen. Terwijl het geluid van de brommer wegstierf op de achtergrond, werd ik overvallen door een gevoel van complete volmaaktheid. In die uitzonderlijke seconden die het leven je af en toe geeft, hoefde ik helemaal niets.
Ik was compleet, ongecompliceerd en ongetwijfeld thuis. En het zijn die zeldzame, maar ontzettend waardevolle seconden, die de goede keuze van mijn verhuis bevestigen.

Thuis is de plek die alleen jij kan creëren.

 

Groen respect

Respect is niet gratis. Het is niet iets wat je krijgt, maar verdient. En al durft die weg al eens lang en zwaar te zijn, respect waarvoor je hebt gezweet is de enige waardige vorm van. Het is nu eenmaal nergens anders. Maar misschien nog meer dan elders, geldt deze regel op het vrouwelijke voetbalveld. Daar mag je arm, blank, dik, kaal of zwak zijn, als je genoeg werkt verdien je vroeg of laat respect. 

Respect op het veld is even kwetsbaar als hard te verdienen. Het ene moment ben je de held, bij de volgende slechte actie word je genadeloos afgestraft. De bal test je uithoudingsvermogen, maar het zijn de supporters die beoordelen. En dat gaat snel. Geef je een goede pas, wordt er voor u geklapt, maar geef je een slechte pas en ze roepen je na, terwijl het geklap nog uitsterft op de achtergrond. Dat is misschien nog het mooiste aan voetbal. Het draait niet om een actie, moment, wedstrijd of resultaat. Het is een constante strijd naar perfectie die geen geheugen of limiet kent. Zo snel je opklimt, zo snel kan je vallen. Het is nooit genoeg voor het publiek, maar het is niet voor hen dat je werkt.

Ik ben terug beginnen voetballen. We schrijven vandaag drie trainingen later en mijn hele lichaam doet pijn van alle spieren die ik na zo een lange pauze terug in actie geroepen heb. Maar wat een verademing om terug achter die bal aan te lopen. Soms als een kip zonder kop en andere keren stuur ik die dan weer helemaal de verkeerde kant op, maar waar zijn trainingen anders voor? Het gaat om dat heerlijke moment waarop de bal de netten raakt, je een figuurlijk schouderklopje krijgt of een actie maakt die andere ogen wijd open zet.

Maar dat moment van bevestiging is niets waard zonder de warme voldoening die een harde training geeft. Iedereen die sport weet waarover ik het heb. Het moment na uitputting, wanneer je uit die sportroes ontwaakt en uitgeteld achterblijft.
Zoals ik eerder zei: respect komt niet uit de lucht vallen.

Een Surinaamse voetbaltraining is net als een chaotisch kruispunt oversteken in hartje Paramaribo. Wie niet assertief is, komt nergens. In mijn beginjaren van het autorijden kon ik nog eens ongeduldig achter het stuur zitten. Wanneer mijn moeder dan naast me zat zei ze altijd: ‘Niemand blijft ooit eeuwig staan.’ Nu, moeder, moet je eens naar Suriname komen, want hier krijg je meer dan eens de indruk dat niemand er een probleem in ziet om jou tot morgen te laten staan, daar op de hoek van dat kruispunt.

Ik weet ondertussen al hoe ik de neus van mijn auto vooruit moet duwen, opdat de auto uit de andere richting verplicht wordt me voor te laten, want de enige andere optie is tegen me aanrijden. Ondertussen weet ik ook dat als we balletjes trappen op doel, ik niet rustig in de rij moet aanschuiven, want dat die rij niet gevormd wordt. Je moet je opdringen, want dat is hier niet onbeleefd. Het is iets waar ik nog steeds niet aan gewend ben.

Maar, en dit is bijna even belangrijk als mijn herwonnen liefde voor het voetbal, ik heb iets voor mezelf. Ik bouw aan een leven voor mezelf, steen voor steen. Voetballen met de vrouwen van Oema Soso (het is eens wat anders dan Cercle Melle Ladies) is iets van mij, voor mij, door mij. Met mijn Surivlaamse bondgenoot Zarissa werk ik aan een nieuw artikel dat gaat over de rol van de vrouw. Ze vroeg me wat mijn rol is in de Surinaamse maatschappij. Het antwoord lees je nu nog niet, maar ik kan je alvast verklappen dat ik er serieus een paar dagen over moest nadenken.

Ik doe dit niet alleen voor mezelf, verhuizen naar Suriname. Had ik Quincy niet leren kennen, zat ik nu misschien in Colombia, Argentinië, Brussel of Gentbrugge. Maar ik heb gekozen voor Paramaribo. En zoals ik eerder al eens schreef: je kiest niet voor wie je valt, maar wel voor wie je blijft plakken. Maar ik ben te egoïstisch en avontuurlijk om mijn tijd in Suriname te vullen met het zitten in de zetel, kijkend naar de man waarvoor ik heb gekozen. Dat is leuk, maar gaat na een tijdje ook vervelen.

Ik doe dit voor mezelf, dat voetballen. En het voelt goed. Het is iets wat ik kan, maar waar ik ook beter in wil worden. Het kan misschien iets kleins lijken, Zoë die terug gaat voetballen, maar in mijn hoofd is het best een prestatie. Het is deel van mijn inburgering, zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Van mijn Surinaamse rol binnen deze maatschappij. Wat mijn verdere rolindeling nog is, lees je binnenkort.

Wit geld

Niet alleen zorgt het bezoek van mijn broer Bert en vriend Marcel voor meer leven in huis, ze leren mij ook heel wat bij over een land dat ik dacht te kennen.

Over het algemeen stel ik me in de straten van Suriname iets anders op dan ik in werkelijkheid zou willen. Thuis kan ik wel lekker mezelf zijn, maar op straat wil dat nog niet helemaal lukken. Dat is ongewild, maar gaat bijna als vanzelf. De hele dag ben ik me bewust van mijn huidskleur, die opvalt. Omdat die zo afsteekt stel ik me in het algemeen wat rustiger op, bedachtzamer, verlegen en op de achtergrond. Ik wil de aandacht niet nog meer naar me toetrekken dan mijn witte kleur al voor me doet.

27999511_10214971749836609_1781540155_o
Dancing in the rain

Vooroordelen
Bert en Marcel stellen zich allesbehalve zo op, en zijn daarbij helemaal niet bezig met hun kleur. Het is misschien ook een beetje door de zenuwen, maar over het algemeen komen ze heel joviaal en sociaal over. Soms een beetje te, naar mijn bescheiden normen.

Door hun open gedrag, het feit dat ze iedereen uitbundig groeten en hun blik niet op de grond gericht houden, leer ik dat het ook anders kan. Dat mijn witte huidskleur maar zo wit is als dat ik hem zelf maak. Bang dat ik overkom als ‘die Hollandse witte dame die het allemaal beter weet’ en waarvan haar voorouders de Surinamers onderdrukten, ben ik vaak achterdochtig, verlegen en vermijd ik veel contact op straat.

Mijn witte huidskleur is zo wit als dat ik hem zelf maak

Maar het verschil tussen de jovialiteit van de jongens en mijn eigen terughoudendheid, ligt ook aan het verschil tussen onze seksen. De twee jongens worden gegroet op straat, ik word versierd. Zij worden aangekeken, ik nagekeken. Zij ontvangen minder getoeter en geen gefluit, geen kusjes en geen openingszinnen. Ik zou voor minder verlegen worden.

27999360_10214971748156567_1866152095_o
Koloniale huizen bij Fort Zeelandia

Het kan anders
Maar, een les die ik trek uit hun aanwezigheid, is dat het ook anders kan. Dat ik me niet verlegen moet voelen omdat mijn huid al de aandacht trekt, want ik ben meer dan mijn huidskleur. Door daar nu zoveel rekening mee te houden, doe ik net datgene waarvoor ik anderen afkeur: onderscheid maken. Het maakt integreren alleen maar moeilijker voor mezelf, en al zeker in mijn functie als journalist.

Tot zover heb ik mijn witte huidskleur als nadelig beschouwd. Het was een bewijs van mijn ‘anders’ zijn. Ik was ervan overtuigd dat het me tegenhield in mijn integratie, omdat ik nooit van Suriname zou zijn.

Bestolen
Door het gedrag – en het gemak – van mijn bezoekers besef ik dat het zo niet hoeft. Wit zijn kan ook in het voordeel spelen, net zoals het in het nadeel kan zijn. Zo werd gisteren mijn fototoestel gestolen. Bert en Marcel zaten op de fiets en werden klemgereden, waarna de fietstas door een bromfietser werd weggeritst. Mijn fototoestel zat erin. Wat de jongens gisteren hebben geleerd, is iets wat ik al vroeger heb ‘mogen’ ondervinden.

Bert en Marcel zaten op de fiets en werden klemgereden

Je bent wit en ruikt dus naar geld. Mensen met slechte bedoelingen – en ze bestaan overal ter wereld – hebben je al lang zien aankomen voor jij nog maar in de buurt komt. Je wordt in de gaten gehouden, want wit zijn betekent euro’s, en die laatste staat nu eenmaal hoog aangeschreven. Criminaliteit is geen fabel in een derdewereldland als Suriname, de nodige voorzichtigheid is dus verreist. Als blanke toerist die de spelregels van de straat niet kent, des te meer. Wanneer je vergeet dat je wit bent, ben je ook kwetsbaar. Maar te focussen op de nadelen maakt het er niet gemakkelijker op.

Rotte appels
Het vinden van een goede balans tussen de nadelen en voordelen van je huidskleur is niet gemakkelijk. Bij een tegenslag is daarbij ook belangrijk om niet over te slaan op veralgemeningen, angst of het kweken van een wrok. Ik hoop van harte dat Marcel en Bert de diefstal een plaats kunnen geven. Want ondanks de slechte en de goede mensen, zijn we uiteindelijk toch allemaal gelijk. In elk land zitten rotte appels, net zoals de prachtige, lieve, vriendelijke en leuke mensen. Kijk maar naar Quincy en zijn familie, onder andere.

28034440_10214971748356572_1263537319_o
Parbo Biri Dat Na Biri!

Drie mannen onder een dak

Ons eerste bezoek in Suriname is er eentje van mijn broertje. En dat moet – meer dan eens – gevierd worden. Maar naast de nodige ontspanning wil ik ook wat meegeven aan hen: de wetenschap dat het ook anders kan. 

Nog maar nauwelijks zelf bekomen van de vlucht of we reden alweer richting luchthaven om Bert en Marcel op te halen (broer en een vriend van hem). Naast een drukke agenda en het op orde stellen van onze gastenkamer betekent hun komst ook ons eerste bezoek. En dat is best wel spannend.

28034648_10214971748476575_1626849582_oTen eerste zijn de twee heren nog nooit buiten Europa geweest, iedereen die dat wel al is geweest, weet hoe hard dit kan aankomen. Daarnaast verblijven de twee jongens in ons huis, wat niet bepaald een grote villa is. Ten derde begint deze week mijn eerste werkweek, dus mijn concentratie en focus is elders verreist. Ook lijk ik best wel op mijn moeder: ik wil een goede gastvrouw zijn, niet teleur stellen. Ten slotte bevind ik mezelf met drie mannen onder 1 dak.

Help?

Ik wil de jongens een intense Surinaamse ervaring schenken

Maar s0o far, so good. Het huis wordt langzamerhand wel een boeltje en ik kan gerust wat meer qualitytime met Quin gebruiken, maar gelukkig is er ook nog mijn werk voor afleiding. Want de indrukken die de jongens opdoen laten ons namelijk niet koud. We willen het mooiste van Suriname laten zien, maar ook niet onnodig verbloemen.

28033050_10214971748996588_306290978_o
Met Bert in de auto, op weg naar het zwembad

Dat we het goed willen doen, tast ook ons energiepijl aan. Een familielid hier hebben maakt me heel trots op Suriname, ik pronk met het land alsof het van mij is en krijg er maar geen genoeg van de jongens vol te stoppen met informatie. Ook Quincy geniet.

Maar de jongens zitten in een situatie die ze niet kennen, dus ook hun reacties zijn onvoorspelbaar. Dat maakt me ook op mijn hoede en (onnodig?) zorgzaam. Zo kon Bert zondag niet mee naar de markt omdat hij ziek was, wat achteraf gewoon een kater bleek te zijn, en wil ik dat ze zich op hun gemak voelen, al lijkt dat laatste wel aardig te lukken.

28033338_10214971749716606_1570570258_o  27990839_10214971750356622_1718450387_o  28079823_10214971747836559_1267937361_o

Ik pronk met het land alsof het van mij is

Wanneer ik vraag hoe ze het vinden, schieten woorden te kort om de indrukken te omschrijven. Maar wanneer ik naast mijn broer loop in een traditionele optocht midden in de jungle en onze blikken kruisen, zie ik een cocktail van emoties in zijn ogen. Verontwaardiging, opwinding, enthousiasme en onzekerheid, dat standaard gepaard gaat met de zogenaamde onverschilligheid, dat laatste typisch macho-mannengedrag – als je het mij vraagt.

28080403_10214971748716581_1092001325_o
Met Quincy op Tapu Yari in Klaaskreek, het dorp van zijn vader

Wanneer woorden ontbreken, kun je ogen lezen

Omvergeblazen van het ‘anders’ leven, weet ik diep in mijn hart dat de jongens deze ervaring nooit zullen vergeten, ongeacht wat we doen. Want die warmte – van de zon maar zeker ook van de mensen – doet wat met je lichaam, maar nog meer met je geest.

28126250_10214971751076640_1408249803_o
Optocht door het dorp tijdens Tapu Yari

Surinaamse onafhankelijkheid

Het logo van de slager op de hoek is vernieuwd, mijn buurjongen en -meisje zijn verhuisd, de verpakking van ons wc-papiermerk is veranderd van kleur en aan de overkant is een nieuw koppel ingetrokken – hoewel het me nog niet duidelijk is hoelang zij zullen blijven. Al bij al kan ik zeggen dat ik weinig gemist heb in Suriname, op het eerste zicht dan toch.

Links rijden voelt niet vreemd aan en ik weet nog precies de weg van huis naar Quin’s ouders. Bij de betaling van mijn fitnessabonnement werd me gevraagd waarom ik niet meer kwam trainen en wanneer reclameslogans vanop de grote borden naar me toeschreeuwen, komen de jingles spontaan in me op. Mijn naam staat al meteen onder een artikel in de maandelijkse Parbode, en ik groette Ghandi, de plaatselijke buschauffeur, terwijl ik mijn afwas stond te doen.

Ik herken wegen, hoor mijn bazin op de radio praten, kan de vogelgeluiden linken met een vogelnaam en weet precies welk brood het lekkerste is. Ik ging al langs bij Parbode om mijn loon op te halen en trof het huis in exact dezelfde staat aan als dat ik het had achtergelaten, alleen dan wat rommeliger. Tijdens een grote kuis kwam ik gisteren tot rust met elk ding dat ik een plaats gaf, en daarbij ook een stukje van mezelf. Ik voel me geen toerist, dit is mijn plaats.

In Paramaribo en omstreken zijn er weinig tot geen merkwaardige veranderingen gebeurd in de laatste drie maanden, tot zover mijn driedaagse observatie. De olieprijs van de benzine is weer naar omhoog, maar niets in me verwachtte dat deze dezelfde was gebleven, en er groeit weer gras op het onafhankelijkheidsplein (nadat deze maanden aan een stuk door de regering was afgesloten om verdere stakingen en betogingen te voorkomen).

Anders dan vorig jaar (vergelijken is nu eenmaal één van mijn kwaliteiten) voel ik me geen buitenstaander. De vrouw naast me op het vliegtuig was een Surinaamse, en kwam voor drie weken op vakantie. Ik ben de Belg, die thuiskomt in Suriname. Het kan allemaal.

Wat mijn uitdaging wordt, en dan begint het wel te kriebelen, is een leven voor mezelf opbouwen in dit groene landschap. De plaats dat ik nu inneem, is die van ‘Quincy’s vrouw’. Dat is fijn (en iets om trots op te zijn), maar ik ben meer dan ‘iemand’s vrouw’. Ik ben een vrouw met een pen, een zin voor initiatief en een drang naar onafhankelijkheid (dit begint een beetje op een sollicitatie-interview te lijken). Alleszins: mijn uitdaging in Suriname wordt de onafhankelijkheid. Het maken van eigen vrienden, het uitbreiden van een eigen netwerk, het verdienen van geld met mijn pen, graag naar het werk gaan, het participeren aan evenementen en het organiseren van uitjes. Iedereen die me een beetje kent, weet wel waarover ik het heb.

Hoewel ik me veel minder ‘anders’ voel dan vorig jaar, voel ik me terug ongemakkelijk wanneer ik iets alleen moet doen. Vorig jaar was ik er in den beginne best fier op dat ik alleen inkopen deed. Dat klinkt misschien heel belachelijk, maar het was een ware overwinning. Ik snap dat. Wanneer ik nu alleen maar denk aan het feit dat ik terug naar de winkel moet wandelen om een brood te halen, waar de mannen me allemaal zullen aanstaren en naroepen, zakt de moed me al in de schoenen. Ik eet liever nog een banaan en wacht tot Quincy thuis komt. Dit gaat veranderen.

Ik weet dat dit tijdelijk is, ik heb het namelijk al eerder meegemaakt, maar het is toch een gevoel dat niet te mijden valt, een daarom ook niet verzwegen moet worden.

Ik, onafhankelijk en op mijn gemak in Suriname zodat ik niet alleen goed werk kan leveren maar me ook vrij en onbezonnen kan voelen, daar zet ik op in.

De terugblik van Quincy

Quincy Westenburg (34) is geen slecht mens, met een zuiver hart die het leven niet al te moeilijk maakt. Een gesprek over Suriname, schreeuwen en grenzen verleggen.

In ‘Een terugblik’ ga ik langs bij drie mensen die in 2017 een belangrijke rol voor me hebben gespeeld. Ik leg elk van hen dezelfde vragen voor, die ik op mijn beurt overnam uit de kerstinterviews van Knack. Samen blikken we terug op 2017, en wat het jaar voor hun betekende. Vandaag is het de beurt aan Quincy Westenburg, die ik sinds maart 2016 trots mijn vaste vriend mag noemen.

Wat heb je in 2017 voor de allereerste keer gedaan?
In 2017 ging ik voor de eerste keer voorbij mijn opa’s dorp, nog meer naar het zuiden van Suriname. De diepe jungle was even nieuw voor mij als mijn vriendin. Daarnaast reed ik voor de eerste keer rechts op de rijbaan, toen we op vakantie waren in Aruba. Vroeger dacht ik dat het genoeg was om te werken, zodat ik kan eten en me kan kleden. Dankzij verschillende uitstapjes en een leuke vakantie heb ik beseft hoe belangrijk het is om op vakantie te gaan.

Welke persoonlijke overwinning heb je behaald in 2017?
Ik heb het ouderlijke nest verlaten en ben gaan samenwonen met mijn vriendin. Twee jaar geleden dacht ik er niet aan om uit mijn moeders huis te gaan, ik vond het fijn daar. Ik voelde me er veilig en gelukkig, vrij. In 2017 ben ik uit die comfortzone gestapt.

Welke nederlaag heb je geleden?
Ik heb onvoorziene uitgaven gedaan bij herstellingen aan mijn bus, die achteraf helemaal niet nodig bleken.

Waar heb je het meeste plezier aan beleefd?
Ongetwijfeld mijn vakantie op Aruba. Dat was een heel gelukkige week.

Welk nieuwsfeit was voor jou het meest betreurenswaardig?
Dat Real Madrid voor de tweede keer op een rij de Champions League won en daarmee geschiedenis schreef. Als Barcelonafan is het een groot dieptepunt. Het net als reizen naar de maan, niemand vergeet dat de Amerikanen er eerst waren. De tweede is al veel minder speciaal.

Heb je te veel of te weinig tijd besteed aan sociale media?
Ik denk te veel. Ik moet er mee ophouden want het neemt veel tijd van me. Voor ik het besef ben ik een uur aan het scrollen. Het is niet nuttig, ik kan beter een boek lezen. Zo kan ik mijn woordenschat verrijken.

Over welke kwestie ben je anders gaan denken?
Het gaat misschien een beetje asociaal klinken, maar in 2017 heb ik geleerd om mezelf op de eerste plaats te zetten, durven nee zeggen. Ook ben ik anders gaan denken over mijn eigen toekomst, ik heb de eerste stappen ondernomen om mijn dromen na te gaan.

Wat heb je gemist in 2017?
Goed leiderschap in Suriname. Iemand die het land vanuit het hart, en niet omwille van het eigenbelang, bestuurt. Een goede leider die de politiek niet gebruikt om de weg naar zijn eigen doelen te versnellen, en durft handelen voor de toekomst, en niet alleen vandaag. Zo een persoon mis ik, en veel mensen in Suriname.

Wat had je beter willen doen in 2017?
Er zijn dagen geweest waarop ik mijn vriendin heb gekwetst, misschien kon ik op momenten wel een betere vriend zijn voor haar.

Waar was je het liefst in 2017?
There is no place like home, dus zeker in Paramaribo, Suriname. Ik ben nergens zo graag als dat ik languit in de zetel lig, gewoon lekker niets doen.

Wat was je mooiste moment van 2017?
Op Aruba zaten mijn vriendin en ik in een romantische setting te dineren. De zon ging onder, en dankzij het restaurant op de berg hadden we een mooi uitzicht op de stranden. Ik vroeg of ik haar een vraag mocht stellen. Zij had natuurlijk een heel ander gedacht over de vraagstelling en trok haar conclusies. Terwijl ik alleen maar wou weten of ze gierig was. (lacht)

Welke goede daad heb je verricht?
Ik heb zoveel goede dingen gedaan, ik ben geen slecht mens. Ik heb geen erkenning nodig voor de dingen dat ik doe, omdat ik ze uit mijn hart doe. Het kan van kleine dingen gaan, zoals voor iemand een belkaart voorzien, tot de grote dingen, zoals een verassing organiseren voor mijn vriendin haar verjaardag.

Welk boek, welke plaat of welke film/tv-serie heb je dit jaar het meest van genoten?
Mi No Lob’ van Broederliefde, omdat het lied helemaal bij mijn persoonlijkheid past. Ik hou zelf ook niet van geschreeuw (‘je moet me niet schreeuwen’ is een vaak voorkomende zin in het lied, nvdr)

Wat wil je verwezenlijken in 2018?
Veel lachen.